is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker heb ik dat — tenminste misschien. Maar ik trek me er niet veel van aan. Meer nog, ik ben het er voor het grootste deel mee eens. Eerstens kan je er niets aan veranderen, je kunt nu eenmaal niet van de aarde uit een ster ophangen aan den hemel; al zou je een beul een hermelijnen pels om de schouders hangen, de roode kleur scheen er toch door heen. Je moet je dat lot ook niet al te ellendig verbeelden. Zelf zeg je dat de oude Hamburger zich, naar zijn zoon zelf je verteld heeft, heel goed thuis voelt in zijn positie. Ja — de menschen worden geminacht en geschuwd, maar ze leven goed en ruim, veel beter dan de soldaten en de hoorigen, en misschien minder geplaagd dan menig eerbaar gildemeester. Je weet heel goed dat ik eten en drinken niet als het hoogste beschouw, maar „kunnen leven" is toch een goed ding."

„Maar als nu de zoon de ellende gevoelt en bespeurt van dien vloek, en die schimp der oneerbaarheid?"

„Dat is erg ongelukkig voor hem, maar 't zal nooit veranderen — wij kunnen 't niet en hij evenmin. Ten minste ik geloof het niet. Hij moet maar een flink stuk van de wereld doortrekken, 't Gaat bij de menschen net als bij de dieren. De koekoek is een oude roover, het wijfje van dien snoeshaan legt haar eieren in vreemde nesten, 't Kan zijn uit luiheid om zelf niet te behoeven te broeden, hetzij uit goedheid om haar jongen in beter gezelschap te brengen. Geeft het iets? Een koekoek blijft een koekoek en wordt nimmer een grasmusch of een leeuwerik."

„Maar moet dan een menschenkind niet hooger staan dan een koekoek? — Treurig!"

„Misschien nog zoo heel treurig niet, Lambert, orde moet er wezen. Als de oneerbaren hun lot konden afwentelen en zich voegen bij de eerbaren, dan konden de handwerkslieden wel eens vragen hoe 't staat met de voorrechten der geslachten; die zouden er dan trek genoeg in hebben om te probeeren of ze hun kinderen niet een warm plaatsje in onze nesten konden bezorgen." —

Op het kruispunt onder den kastanjeboom, waar Ortwin Hyddo en de zynen ook hadden gerust, werd halt gemaakt en de proviandzak toegesproken, 's Middags kwamen ze voor de poort van Oldesloe en zonder eenig bezwaar liet de poortwachter ze binnenrijden. Een eigen hospitaal, om vier gewonden tegelijk op te nemen en te verplegen, bezat de kleine stad niet; de gekwetsten uit den hollen weg waren bij burgers ondergebracht, aan wie de stad