is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooeven afscheid had genomen van zijn schipper. „Je ziet er uit als een jonge Vikinger, peetekind," zei de burgemeester lachend, „'t is waar, een koopman kan goede wapens niet ontberen. Voorwaarts, de lui wachten." Lambert steeg in de lichte boot en met krachtige riemslagen werd hy door twee matrozen naar de smak geroeid, waar de schipper en "VVizlaw Rolof hem met handslag begroetten.

In weerwil van zijn jonge jaren, was hij toch een statige man, die Lambert Hadewart, die nu van het dek de achterblijvenden een laatsten groet toewuifde. De stalen helm zat zoo flink op zijn hoofd als had zijn wieg in een oude ridderburgt gestaan; het stalen maliënhemd, dat hy onder het lichte wambuis van Vlaamsch laken droeg, voelde hij nauwelyks meer dan een sieraad en van zijn lieven, jongen heer zag zelfs de oude "VVizlaw Rolof graag dat hij het lange ridderzwaard droeg, dat hij voor eigen gebruik versmaadde. „Wat den een past, past ons niet allemaal," mompelde hij, en keek naar zijn eigen wapen, „we zullen wel probeeren dat wij elkaar als de nood aan den man komt, aanvullen wat de wapens betreft." Nu rammelden de ankerkettingen over de rollen en hieven het ijzeren gevaarte omhoog, een honderdstemmig ahoï! klonk van het boord naar het strand, van het strand naar het boord, nog eenmaal vlogen de vilten mutsen van het scheepsvolk omhoog, toen werden de zeilen geheschen aan masten en raas en met vol gebuikt linnen voer de kleine vloot der vijf vaartuigen naar het noorden. De Hadewartsche smak vormde de achterhoede.

Toen het schip reeds een goed eind kielwater achter zich had, zoodat het strand nog slechts een grauwe blauwe streep geleek, haalde Olrik Rasmus uit de schipperskajuit een rol perkament, liet het scheepsvolk en de krijgslieden allen te zaam om den mast aantreden, en stak met zijn dolk de rol midden aan den mast vast. Toen legde hij eerst zijn handen op zijn borst en voorhoofd, liet daarop de opgeheven rechterhand van het hoofd dalen op de rol en sprak met vaste, ernstige stem: „Ik beloof op deze planken als een eerlijk en rechtvaardig schipper te zullen varen en verklaar u onder mijn bevel te staan. Scheepsrecht zal ik eeren en oefenen, gij hebt te volgen, de wet is voor ons allen, mijn oor is open voor elke klacht en elke aanklacht, en verneem nu de voorschriften!"

Na deze woorden trok de schipper zijn dolkmes uit den mast, ging daar met den rug tegenaan staan en las blootshoofds onder een diepe stilte de equipage de artikelen van het scheepsrecht voor. De enkele