is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

droppel hebt leeg gedronken en dan is 't nog bijna altijd te vroeg_ TJ mag me voor een ouden ezel uitschelden als 't niet uitkomt en ik zal twee dagen lang geen droppel bier drinken."

„Heb je met Olrik Rasmus gesproken? Hoe denkt de schipper van Wittenborg's schuit er over? Ik heb den roeper niet gehoord.'

„Die behoeft er met Rasmus niet over te praten, evenmin als ik, maar alle twee denken ze vast en zeker het zelfde, wat ik u heb gezegd. U kunt 't aan de richting van de kiel zien, ze houden beide meer naar de Zweedsche kust. Als de wind een beetje naar het Oosten omslaat, voor we ter hoogte van de Skagerspits zijn, kunnen we wat beleven, waaraan u meer dan genoeg zult hebben."

„'k Zal niet mankeeren, als de wind aan den man is, en zal je eer

aandoen, oude."

Wizlaw's profetie bleek maar al te waar geweest te zijn.

Net toen het eiland Lassö achter de beide vaartuigen lag, liep de wind naar het Oosten om en in de verte hoorde men een hol gesuis, dat elk kwartier sterker werd. De schippers zorgden dat de schepen meer van elkaar verwijderd bleven, alle zeilen werden ingenomen, behalve een klein driehoekig zeil, dat hen moest helpen drijven naar het Noorden, het roer werd vastgebonden met twee stevige touwen, daar menschenhanden alleen het niet meer konden regeeren. Tegen den middag — men was zoo ongeveer op de hoogte tusschen het Jutsche Aalbeck en Skagen — brak de storm los en van nu af aan kon geen der schepen zich meer over het lot der andere bekommeren. Elk had volop met zich zelf te doen. De gewapenden, die niet konden deelen in den dienst, werden naar beneden gestuurd, alleen Lambert en Wizlaw bleven aan dek; Olrik Rasmus beduidde den eersten door een gebaar of hij zich niet wilde laten vastbinden. Hij had echter een om den mast gewikkeld eind touw gegrepen en schreeuwde — hij wist niet of hij werd verstaan of niet - met zoo hard mogelijke stem door het stormgeloei: „Als de mast niet breekt en het touw niet stuk gaat, mijn hand laat niet los."

Manshooge stortgolven sloegen over het dek, met 'n daverenden knal barstte het zeil midden in, zoodat de rafels fladderden. De Hadewartsche smak welke door de woeste zee de Wittenborgsche schuit heel spoedig uit het oog had verloren, verloor de richting naar het noorden en dreef naar het westen op de Jutlandsche kust af,