is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Visschers schijnen 't niet te zijn."

„Zeker niet! Ze visschen nooit op hun eentje, vooral niet 's nachts, en ik zie ook geen netten of hengels in de boot."

„De boot houdt precies op onze smak aan — enfin dan zullen we gauw in de gaten krijgen, wat er achter steekt."

Op dit oogenblik keerde de zoo hard zwoegende roeier zich om; bij zijn haastig werken, en zijn rugwaarts roeien, scheen hij niet op de richting gelet te hebben en wat voor de boot lag. Dadelijk liet hij een riem rusten en roeide steeds met een door, zoodat zijn bootje zich zijwaarts afwendde van de smak.

„Hola, Wizlaw!" zei Lambert „daar is iets niet in den haak; dat heerschap is bang voor onze eerlijke planken, moet dus een slecht geweten hebben. De vrouw beweegt zich nog altijd niet, het stuur is vastgebonden en daarom probeert dat verdachte personage met de riemen te sturen. Wij zijn hem erg ongelegen."

„Wilt u je er in mengen, meneer Hadewart?"

„Wel wis en drie, oude. Je zegt zelf dat die schreeuw uit dat bootje is gekomen en die is me door merg en been gegaan."

„Dien schuwen knaap inhalen kan zoo moeilijk niet zijn, de vracht is licht en met twee paar van onze matrozen lukt het zeker."

„Zet de boot uit, vier man erin!" beval Lambert.

De kleine voorsprong, welken de vluchteling — want dat bleek hij te zijn — had behaald, voor de roeiers der boot hun riemen uitsloegen, verminderde al ras, de man moest inzien, dat aan ontkomen geen denken was. Hadewart stond tegen den kleinen mast zonder zeil geleund en keek scherp rond; terwijl de boot al nader en nader bij de vervolgden kwam, riep de schipper zijn oude telkens toe wat hij zag gebeuren. „De vrouw is gebonden — ze zit nog altijd zonder zich te bewegen — hij neemt de riemen in en stort zich op haar — knielt met gevouwen handen voor haar — wil hij haar om hulp smeeken? — Hij haalt een mes voor den dag — snijdt de boeien door — ze grijpt naar haar mond, ha! ze heeft er een prop in gehad — ze wijst op het mes en haar borst — het mes vliegt de zee in — hola, jullie Lübecksche waterratten, op de riemen, we moeten er dadelijk bij zijn! Alle duivels! De schelm wil haar vastgrijpen — wil hij haar in het water gooien ? Ze verdedigt zich — een schreeuw! — Voorwaarts! We hebben ze dadelijk —"

Inderdaad — de achtervolgde worstelde met de vrouw, die hij om het middel had gegrepen, ze verweerde zich met sterke armen, het