is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Frida maakte gauw een einde aan die vreemde positie; ze wenkte haar vader een beetje met haar afzonderlijk te gaan, fluisterde hem in een paar woorden in 't oor, wat ze voorhands noodig achtte en toen zag men een groote ontroering over den boer komen. Doch het volgende oogenblik was er haast geen verandering meer aan hem te bemerken, slechts trof een blik vol haat den door hem Knut Blödder genaamden gevangene. Een knecht werd geroepen en de boer gaf hem den gevangene over met de waarschuwing erbij: „Als je hand en je leven je lief is, zorg dan dat die kerel niet ontsnapt." Blödder zei dadelijk: „Wees daar maar niet bezorgd over, Björn Tigge! Mijn lot is bepaald, de Nornen gaan haar weg en de runenstaven van je vader hebben wel ongunstig voor me gelegen. Zonder tegenstand, zonder een woord tot het meisje, volgde hij den knecht, die hem naar een leegstaanden rendierstal bracht.

Daarop richtte de boer zich tot Lambert, reikte hem eerst nu de hand met de afscheidswoorden: „Heb dank en keer naar uw schip terug. In het morgenuur ben ik bij u aan boord en vertel u wat u moet weten. Ook zal ik u een verzoek doen, dat u me niet moogt afslaan."

Daarmee gingen de Noren en vreemdelingen van elkaar, in een uur waren de Lübeckers weer behouden op het dek van hun smak.

Björn Tigge hield woord. Den volgenden morgen, na eigenhandig zijn boot aan de scheepstrap te hebben vastgelegd, omdat hij niet lang dacht te blijven, trad hij op den jongen schipper en zijn raadsman toe, die hij op het achterdek trof en groette ze in hetNoorsch, dat haast alle Hanzeaten vloeiend spraken. De Noor, een breedgeschouderde, echte boereman met 'n trouwhartig en verstandig gezicht was wel een hoofd kleiner dan Lambert, maar als ze hun krachten eens hadden gemeten, zou hij het gewis tegen dezen hebben uitgehouden, en aan uithoudingsvermogen was hij hem zeker de baas.

Na de eerste begroeting en na nogmaals zijn dank aan Lambert te hebben betuigd, vertelde hij, op verzoek van den Lübecker, in korte, duidelijke bewoordingen wat er tusschen zijn dochter Frida en Knut Blödder gebeurd was en hoe dat tot zoo'n droevig eind was gekomen.

Knut, de zoon van een middelmatig rijken boer, wiens hoeve hooger in 't gebergte, maar toch in hetzelfde dal met die van Tigge stond, gold reeds van kindsbeen af voor iemand, die even stil als gesloten, hartstochtelijk als driftig was. Hij groeide op met Frida en andere kinderen uit het dal en van het strand, zonder dat die