is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hing aan zijn hals, bedekte zijn gelaat met kussen en begon telkens en telkens, hem te streelen en te liefkoozen. Ze noemde hem met alle mogelijke liefelijke naampjes: «welkom,mijnhartsallerliefste,duizend maal welkom! nu blijf je toch voor goed bij je Ingeborg, niet waar ? Of mag ik met je mee ver over de zee? Ik volg je en na vandaag verlaat ik je nooit meer."

Lambert wist niet wat hem overkwam, evenmin als wat hij zou beginnen. Hij kon onmogelijk de arme krankzinnige — daarvoor moest hij haar wel houden — van zich af werpen; hij liet haar stil haar gang gaan, hoe vreemd en treurig 't hem ook aandeed. Niet minder verbaasd was Björn Tigge, wien deze hevige gevoelsuitbarsting van zijn in haar vermogens gekrenkte zuster als een raadsel voorkwam. Vreemd ook hoorde Olaf Tigge op, alleen Wizlaw Rolof scheen volkomen te begrijpen wat er eigenlijk gebeurde. Hij liep langs de tafel, bracht zijn mond aan het oor van den oude en zei: „Olaf Tigge, de jonge Lübecksche schipper, tegenover wien gij zit, is de broederszoon van Bernhard Hadewart en lijkt op zijn oom als twee druppels water. Uw dochter wischt in haar waan de dertig verloopen jaren uit."

„Bernhard Hadewart, Bernhard!" zei de grijsaard, met een weemoedige zucht, „hij heeft erg leed over mij gebracht en toch kan ik hem niet vloeken; als eerlijk man is hij gekomen, als eerlijk man is hij gegaan. Uw stem vreemdeling, klinkt in mijn oor als uit ouden tijd bekend."

„Ik ben Wizlaw Rolof."

„Ja, ja, Wizlaw Rolof was bij hem. Zeg me, kent de jonge schipper de oude geschiedenis van zijn oom?"

Geen woord, Olaf Tigge."

„Vertel die hem dan later, zoodat hij niet ongunstig over ons gaat denken. Björn, geef me de harp eens, ik zal je arme zuster wat voorspelen, zoodat haar verdwaalde ziel tot rust komt. Ik weet dat dat 't beste helpt."

Uit een hoek haalde de boer een kleine Noorsche harp, de grijsaard sloeg eenige accoorden aan, welke eigenaardig gedempt door het vertrek trilden. Toen zei hij een oud heidensch lied, van den lichtenden god Balder en de trouwe godin Mana. Allen luisterden, ook de geknevelde Knut Blödder viel evenmin den oude in de rede, als hij het eerst Lambert had gedaan, toen deze het verhaal van de misdaad deed.

7