is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meneer Lambert, liep als een gevangen wolf in zijn kooi, in zijn klein kantoor op cn neer. Uw grootmoeder werd hard en zoo koud als ijs en meneer Nikolaas, uw vader, praatte uren en uren en goed en kwaad met zijn broer om dien van zijn plan af te brengen. Die liet als een echte zeevaarder den storm maar blazen en wachtte kalm, zonder veel te zeggen, tot het weer wat bedaarde. ,Heel Lübeck, ten minste de geslachten komt er van op zijn kop." „Laten ze voor mijn part, allemaal hun kop verliezen," zei uw oom op een keer tegen me, „de mijne staat vast. We zullen eens zien wie een Bernhard Hadewart wil beletten om te vrijen, zooals hij wil!"

Wie weet ? Misschien was alles wel terecht gekomen, want 't was al een gunstig voorteeken, dat de storm ging liggen. De grootouders werden al een beetje toeschietelijker en ook anderen, die eerst een muil hadden opgezet van wat ben je me, zagen de mooie Ingeborg met wat minder schele oogen aan. Van een heel anderen kant kwam het onheil. Ingeborg, die in het huis van Hadewart logeerde, had te veel booze woorden gehoord; haar trots kwam er tegen in opstand, want ze wist, hoe hoog haar vader in zijn land werd geacht en in Lübeck beschouwden ze haar als een minderwaardige. Misschien heeft ze lang met zichzelf gestreden — het heimwee kwam 't nog verergeren op den duur en daarna was haar besluit bezegeld. Zelfs aan de zijde van haar Bernhard kon ze zich geen goede toekomst voorstellen in de Travestad. 't Is een kwade dag geweest, toen die twee, die nog altijd zoo veel van elkaar hielden, elkaar booze woorden zeiden en den band tusschen hen stuk sneden — wat moet ik langer vertellen? Uw oom heeft zijn woord ingelost, voor de tweede maal zijn we naar de Westfjord gezeild en hebben Olaf Tigge zijn dochter Ingeborg weer thuis gebracht. De oude heeft ons geen boos woord gezegd, ook niet opgespeeld; eerst zat hij stil te peinzen, en op 't laatst heeft hij een lied gezongen van den blinden Hodür, dat ik niet heb begrepen en zij speelde er bij op de harp. In dezelfde hal, waar de krankzinnige u, meneer Lambert om den hals is gevlogen, hebben de twee elkaar met lange, brandende blikken vaarwel gezegd, en een hand gegeven, 't Heeft wel niet anders mogen zijn, want dat uw oom hier een boer was geworden, op de vischvangst was gegaan en zoo nu en dan op een wolf had gejaagd, dat ging niet. Doch toen heeft hij een grimmigen eed gezworen dat hij nooit of nimmer weer een voet zou zetten in zyn vaderstad, die voor het grootste deel schuld was aan zijn ongeluk — u weet zelf,