is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Denkt er aan, dat het gaat om lijf en leven, dat de wet des konings zich die zware straf zelf heeft voorbehouden en de voogd ons bedreigen en ter verantwoording roepen kan!"

Olafs nevenman ter rechterzij verhief zich en zei koen: „We zullen den toorn van den voogd afwachten. We hebben eerbied voor de wet en eeren den koning, maar hij is ver en de voogd heeft langen tyd noodig voor een vonnis. Aan onze kust echter moet de straf zijn als de donder, die snel den bliksem volgt, dat tucht en zeden behouden blijven. Dus achten wij ons gerechtigd tot het boerengericht."

De andere vyf schonken dezen woorden hun bijval, de grijze Olaf vervolgde: „Goed zoo! des volkes volle ding, toen de voorvaderen van het land, over het gansche wel en wee beraadslaagden, is voorby, begraven, maar het gericht als goede rest is gebleven. Beginnen we!"

De zeven rechters schreden langzaam naar de steenen, de Bantasteenen, legden hun rechterhand daarop, toen op hun eigen borst, waarna ze zwijgend naar hun oude plaatsen terugkeerden. Hard en scherp klonk nu de stem van den voorzitter:

„Ik, Olaf Tigge, klaag Knut Blódder aan wegens menschenroof, de poging tot ontvoering van een jonkvrouw tegen haar wil, over land en zee." — Zonder eenige opsmukking, zonder zich over zich en zijn familie één overtollig woord te laten ontvallen, verhaalde de oude, door niemand in de rede gevallen, de gebeurtenissen van dien nacht zoo vol beteekenis en sloot zijn bericht met: „De twee mannen bij den Bantasteen, die mijn kleinkind redden en den boosdoener vingen, hebben mij de zaak met een eerlijken eed bezworen; 't zijn Hanzeatische kooplieden uit de groote stad Lübeck, zonder eenige vlek; den een ken ik al lang en door hem is de andere voor mij geloofwaardig. Wilt gij, o rechters, nog meer bewijzen, dan zijn wij twee, mijn zoon en ik, bereid hen als eedshelpers ter zijde te staan; wilt ge mijn eed, dat dan mijn buurman mijn plaats inneme — —" Toen werd de plechtige oude in de rede gevallen door de uittartende wilde stem van den beklaagde, die luid den kring in schreeuwde: „Er is geen eed noodig, geen eedshelpers! Ik, Knut Blödder, beken dat die mannen en gij, Olaf Tigge, de waarheid hebben gesproken. Houd uw eed voor u! Ik haat je en ik haat mijn leven!"

„Voor ons gericht is geen sprake van haat en liefde," zei kalm de voorzitter, „hier geldt slechts recht en onrecht, slechts volbrachte