is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, is zoo vast als een huis. Maar wat kan 't ons eigenlijk schelen of hij het gemunt heeft op koning Magnus of koning Haakon of op den Holsteiner?"

„Ditmaal hebben we de rollen omgekeerd, Wizlaw; totnogtoe was jij de pessimist en ik de licht vertrouwende. Meestal had je gelijk, en ik wil hopen dat je 't ook nu hebt. Maar ik denk aan mijn goeden vader — God schenke hem zijn vrede — hij ligt nu al ruim een jaar onder de groene zoden. Die achtte den Deenschen koning tot alles in staat, als hij er de Hanze kwaad mee kon berokkenen. Dat zal ik nooit vergeten, want mijn vader had de reputatie van een wijs en vooruitziend man te zijn, niet alleen in Lübeck, maar in alle steden der Hanze."

„Dat geef ik dadelijk toe! Ik zal de laatste wezen om te twijfelen aan de scherpzinnigheid van meneer Nikolaas. Daarom zal ik ook niet met u strijden, alleen één ding zult u moeten toegeven, dat we niet anders kunnen doen als kalm onzen weg gaan. De tijd zal wel leeren, wie gelijk heeft gehad."

„Zeker, Wizlaw. De zon is net onder, we hebben onze zaken afgedaan, morgen voor de zon opgaat zijn we onder zeil. Nu ga ik een paar uur slapen; als ik niet bijtijds wakker ben, maak me dan wakker, voor de lui op z\jn; ik zou graag het eerst op dek wezen."

Ze scheidden. Doch Lambert kon maar niet in slaap komen, telkens en telkens moest hij denken aan het gesprek met Wizlaw Rolof. Eerst tegen het dagen werd de vermoeidheid hem de baas; spoedig echter werd hij weer gewekt door een soort van gezang, dat door de scheepsromp heen tot zijn oor doordrong. Bijna op hetzelfde oogenblik hoorde hij de stem van Wizlaw, die hem riep. Hij snelde de trap naar het dek op en beiden luisterden nu naar het gezang, dat klaarblijkelijk over het water — in den ochtendnevel kon men niet ver zien — uit een ruwe mannenkeel tot hen werd gedragen.

Bü ponden wegen de Gothen het goud,

Diamanten, groote en kleine,

Der vrouwen spinnewielen zjjn van goud,

Van zilver de troggen der zwijnen.

„Stil, stil, meneer Lambert!" fluisterde Wizlaw, „misschien komen we meer te hooren. Dat komt uit een boot, dicht bij ons in de buurt; er moeten er minstens twee inzitten, want naar ik meen, hoor ik een dubbelen riemslag."