is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIII. TE WAPEN.

Op een mooien zomerochtend in de eerste helft van Augustus heerschte er op een heel ongewoon uur een opgewekte levendigheid in de kelderherberg op den hoek van de markt, welke toebehoorde aan den waard en vroegeren brouwmeester Gottlieb Birkebusch. Koning Waldemar's daad tegen Gothland en Wisby was al lang en breed aan een ieder bekend. Niet alleen in Lübeck, aan de geheele Oostzeekust kon je heel wat erg onchristelijke vloeken hooren opstijgen uit overvolle harten, zoodra je het gesprek maar bracht op den koning van Denemarken. En menig eerzaam burgerman, die anders nooit meedeed aan het herbergleven, liep onrustig 's morgens reeds naar de herberg, omdat men eiken dag meende dat er iets buitengewoons zou gebeuren; dan mocht geen mensch bij een ander achter staan door niet dadelijk 't te weten. Waar kon men, vooral in die dagen, die kennis beter opdoen dan in de herberg?

Aan een der groote, vierhoekige eiken tafels zaten drie van de voornaamste klanten: de kuiper Erich Bodener, de snijder Kurzrock en de voormalige hoofdman Ortwin Hyddo, die vroeger wellicht alleen den Raadskelder voornaam genoeg had gevonden om er een glas te drinken, maar nu liever omging met de gewone burgerij. De tafel van dit drietal scheen voor den waard zelf de meeste aantrek, kingskracht te hebben, hier bediende hij zelf en dat zijn keel daar niet bij te kort kwam, daar zorgde hij wel voor.

Snijder Kurzrock bezat de beste tong. „Hoe gaat het, heer hoofdman? — zoo noemde hij Hyddo nog steeds, hoewel deze gevraagd had 't niet meer te doen — hoe gaat het met den grooten krijgsman van onze lieve vaderstad? Hoe maakt meneer Lambert Hadewart 't? Wil de vreeselijke wond aan het hoofd eindelijk goed dichtgaan ? Geeft de heelmeester hoop dat de zware ziekte gauw bedwongen zal zijn?"

10