is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of hij nu blij was, omdat zijn klanten nu langer zouden blijven of omdat hij van die nieuwe bezoekers weer nieuwe verhalen zou te hooren krijgen. Ook aan de andere tafels gingen een paar burgers opstaan en liepen naar den kletshoek, anderen schoven hun stoelen een beetje dichter bij. De binnenkomers waren twee zeelieden, beiden aan Gottlieb Birkebusch wel bekend, de eerste scheepstimmerman op een Lübecksche smak, welke, nadat koning Anderdag de blokkade van de haven van Wisby had opgeheven, vandaar was vertrokken en gisteren bij Travemünde het anker had laten vallen; de andere had van Bergen naar hier het roer bestuurd van een vaartuig, dat Olrik Rasmus als schipper voor Johann Wittenborg, den gestrengen heer burgemeester, voor anker bracht.

„Hallo! vriend Birkebusch!" riep Erich Bodener, „gauw twee kroezen! Dat zijn onze mannen! 't Staat op hun voorhoofd geschreven, dat ze volgeladen zitten met nieuws en dat wel willen lossen onder een goeden dronk. Laat ons niet lang wachten, als je je tong goed bevochtigd hebt, timmerman!"

De aangesprokene stak z'n neus zoo diep in de kroes, dat je gedacht zoudt hebben, dat hij er nooit weer uit zou komen, veegde eens langs zijn snor, zuchtte eens: „Bij St. Nicolaas, wat jammer, dat ik voor zoo'n goeden dronk zoo'n hoop beroerdheid moet vertellen! 'n Vervloekte tijd! En ik weet waarachtig niet waar ik beginnen moet! Wat hebben jullie al gehoord? Wat is er nog overgebleven? Wisby is een groot, leeg huis. Alles is lui en lam geworden, de zaken, de menschen! 't lijkt me net toe alsof de wind niet eens meer met volle wangen kan blazen; de pakknechts zijn maar half zoo druk als anders bij het laden en lossen, geen wonder — ze hebben tijd in overvloed. God mag ze helpen, anders haalt de duivel den heelen rommel! Anderdag moet bij de Deensche eiderdonsjagers in de leer zijn geweest, hij heeft netjes alles leeggeplunderd en net zooveel overgelaten, dat de magere Wisbyers na jaar en dag weer eens vet kunnen worden. Ja, ja — de kip met de gouden eieren slacht je niet. Maar met dat vet worden zal 't toch een heel poosje aanloopen."

„Plunderen zeg je, timmerman ?" vroeg Erich Bodener. „Ze hebben ons verteld van een vrijwillige belasting en van geschenken — maar plunderen ?"

„Jullie kent Anderdag en zijn grove vuist en schrapende hand nog niet, meester Bodener, ik hoop voor jullie dat je hem nooit leert kennen. Wisby kan er een liedje over zingen, alsjeblieft. Zijn ge-