is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handig geschreven brief en een opdracht, gestuurd had naai den 1 aad van Lübeck. In dien brief berichtte hij dat de stad Dantzig mee zou

doen aan den krijgstocht.

Dat was een hartelijke verwelkoming tusschen deze twee Wisbysche krijgskameraden en toen moest de ridder van alles van Gothland vertellen, goed en kwaad. Zelf had hij er goeds ondervonden; zijn snelle genezing door de trouwe verpleging van Lamberts oom; ook maakte hij melding van het vreemde bezoek van zijn tegenstander, hertog Erich, maar voor de rest lag er, volgens zijn w ooi den, nog altijd een alpendruk op de ongelukkige stad. Lang mocht de ridder niet vertoeven in de Travestad, doch van zijn grootmeester had hij het verlof weten te verkrijgen om met de Dantzigers aan den krijg te mogen deelnemen en met een vroolijk „tot weerziens!" nam hij afscheid van Lambert.

Eindelijk, eindelijk brak en smolt het ijs in de Trave en aan de kust, eindelijk in het begin van April 1362 — voor het ongeduld van Johan Wittenborg en van zijn petekind veel te laat — koos de Hanzeatische oorlogsvloot uit Lübeck en Travemünde zee. Het voornaamste schip, een nieuw gebouwde kogge met stevige kiel en dikke planken, gedoopt met den naam van Schorpioen, voerde den Lübecker burgemeester Johann Wittenborg, die tegelijk opperbevelhebber van de geheele vloot was. Naast de Schorpioen zeilden de Gouden Ram, wiens bemanning door schipper Georg Strandess werd gecommandeerd, terwijl de zwaargewapenden en boogschutters voor de helft onder ridder Lars Hummelsbüttel, voor de andere helft onder Lambert Hadewart stonden. Met den laatste trokken Wizlaw Rolof en de grijze Ortwin Hyddo ten strijde. Hoog wapperde de Lelien-

vlag aan de masten.

Nooit was er in de veertiende eeuw zoo'n oorlogsvloot gezien in de wateren van de Oostzee. Drieduizend strijders, ongerekend de minstens even talrijke scheepsbemanning waren verdeeld op tweeëntwintig uitstekend uitgeruste vaartuigen, raadsheeren en aanzienlijken, weerbare burgers en krijgsplichtige en flinke gezellen der gilden, aangeworven krachten onder ridderlijke aanvoering vormden samen dit getal van drieduizend. Allen waren wel bewapend met zwaard en piek, voetboog, boog en pijlen, bijlen en morgensterren. Onder de schepen, welker grootste aantal was geleverd door den Wendischen Stedenbond, namen in krijgskundige beteekenis de eerste plaats in de zevenentwintig koggen, terwijl de rest, uit kleinere smakken en