is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de poort moesten binnendringen, voerden nog aparte verdedigingsmiddelen met zich. Eenigen, onder wie de twee ridders Lars en Balduin hadden groote ouderwetsche stalen schilden, zooals vroeger in tournooien werden gebruikt, kolossale dingen; de meesten dekten zich door lichte schilden van gevlochten wilgenhout, overtrokken met versche dierenhuiden. Zoo'n beschutting was dringend vereischt tegen scherpe of brandende pijlen uit de vesting; ook tegen keien en dergelyke liefelijkheden, die niet zouden ontbreken; daar zouden de lui op den toren wel voor zorgen. Reken er maar op! Je kon zeker zijn van een warme ontvangst door de Denen. Die streek kon onmogelijk in 't geheim worden uitgevoerd, zelfs al kwam je, begunstigd door de schemering, vrij dicht bij de poort. Bij den eersten stoot tegen de poort moest heel Helsingborg, gealarmeerd zijn, al hadden de wachtposten ook geslapen als marmotten.

Bijna scheen de aanval een goed verloop te zullen hebben. Langzaam en onbemerkt schoven de katten voorwaarts in den schemernacht.

Maar de Hanze-mannen lieten zich niet verschalken; die rust in de vesting kon geen vrees zijn en evenmin onachtzaamheid. Een tijdlang dachten velen der oprukkende Duitschers aan een uitval der Denen, die op de komst was, ze zouden 't niet ongraag gehad hebben. Maar Vicko Moltke dacht over dat zaakje heel anders; heel kalmpjes en koel wachtte hij 't af, en vond 't erg stoutmoedig van den vijand. Allang had hij zooiets gewenscht en veel omvattende maatregelen tot afweer genomen, zooals de Hanzeaten tot hun schrik zouden ontwaren. De poort was van binnen stevig met steenen en aarde gebarricadeerd, zoodat de arbeid der katten, naar de veldheer berekend had, ook al was hij nog zoo succesvol, niet meer dan een paar nieuwe deuren zou kosten. Ze mochten komen, hij zou ze een lesje geven, zoo hard, dat ze vooreerst niet naar een tweede zouden verlangen.

De twee katten stonden nu veilig en wel op den goeden afstand van de poort; het kon zoowat een uur voor zonsopgang zijn geweest; juist kleurde het rood der zon den oostelijken hemel zacht rose. De bedienings- en dekkingsmanschappen waren tamelijk dicht onder den muur en de tinnen van den toren, hoofd en schouders zorgvuldig geborgen onder hun schilden. Daar gaven de blij denmeesters het signaal tot den aanvang der berenning en twee vreeselijke stooten, begeleid door een daverend geroep van hola! door de Hanzeatische krijgers, dreunden tegen de poort. Als bij tooverslag kwam er nu leven op de