is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigen geweten. Mijn heer en koning is erg bedroefd over die verwonding en hij wil en zal zekerheid hebben wie die verwonding heeft toegebracht."

„Des te meer behoor ik te denken aan het lot van den dader, als hij een van mijn mannen moet geweest zijn. Heer veldheer! U is een wakker krijgsman en weet even goed als ik, dat het in den oorlog niet anders kan toegaan. Geen van ons heeft prins Christophel gekend, op zijn helm stond zijn naam niet te lezen en dan — wie zich in het eerste gelid bevindt en er zelf wakker op los slaat moet nemen wat er op zit. Als uw heer en koning zijn zoon in zekerheid had willen hebben, dan had hij hem in de vesting moeten houden. Wij Hanzeaten zijn door de vorsten dikwijls genoeg voor geld- en peperzakken gescholden, heer Moltke! ik neem dien spotnaam aan en wil als koopman en kramer een verstandig bod doen. Hebben wij al is 't dan ook geheel buiten onze schuld, heer Waldemar buitengewoon gekrenkt en beleedigd, dan ben ik geneigd een hooger losgeld te betalen. Maar verraad? Verraad tegenover mannen, die me altijd trouw hebben bijgestaan! Nooit van mijn leven!"

Nadenkend zweeg Vicko Moltke een oogenblik, blijkbaar besluiteloos hoe hij verder zou gaan. Toen gebeurde er iets heel merkwaardigs. De tafel werd opzij gerukt en kraakte, de stoel viel met een slag achterover op den vloer. De schrijver en notarius Röder was opgesprongen — met een paar haastige grepen trok hij den langen mantel de witte pruik en den valschen baard af — en in een ommezien wist Lambert Hadewart dat hij voor koning Anderdag in eigen persoon stond. Twee stekende, staalgrijze en harde oogen schenen den Lübecker door en door te willen zien. De koning bleek nu een purperen fluweelen mantel om de schouders te hebben; een gouden diadeem versierde zijn hoofd, het kruisgevest van zijn zwaard was met edelgesteenten bezet, evenals de gele zwaardgordel. Klaarblijkelijk wilde de heerscher een bizonderen indruk maken op den gevangene en een oogenblik genoot hij van diens begrypelyke verrassing. Spoedig was Lambert daar echter van bekomen en hij maakte zwijgend een diepe buiging voor den koning, die zich tot Moltke wendde: „Laat 'tgenoeg zijn, Vicko, al genoeg vermomming! Zelf zal ik 'teens met dien stijfkop probeeren, dan kun je rustig toehooren!" Daarop ging hij vlak voor Lambert staan, de handen op den rug en vervolgde: „Je spreekt erg waaghalzerig en tegelijk erg voorzichtig, jonge Lübecksche man. Dan eens klinken je woorden als die van een