is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtbank benoemd, waarvan alle leden op een na, lid van zijn eigen college waren, en welke dus een soort van keurbende uit den Raad vormde. De voorzitter van deze rechtbank was een beroemde doctor in de rechtsgeleerdheid en professor aan de hoogeschool te Praag, wien men gevraagd had om dit eigenaardige, hoogst belangrijke proces te leiden. Den dag dat men de keur koos, was 't in den Raad vrij stormachtig toegegaan, zooals Lambert van broer Hartwig had vernomen. De oudste Hadewart had alle verzoeken om deel van de rechtbank uit te maken, afgeslagen, omdat hij te zeer bevriend en ook in de verte nog verwant was met den beklaagde.

Toen Lambert de uitnoodiging gelezen en de raadsbode zich verwijderd had, deelde hij den ouden Wizlaw het nieuws mee en voegde er aan toe: ,'t Zal me een ware verkwikking wezen, dien wijzen heeren, die daar met groot vertoon zitten eens onomwonden mijn meening te vertellen en dien wijzen Praagschen doctor op den koop toe. Met koning Anderdag en zijn pruik heb ik 't wel klaar gespeeld, door die mooie krulpruik zal ik me niet op mijn kop laten zitten. Jammer, dat ik jou niet mee mag nemen, ouwe! Voor ik er naar toe ga, moet ik eerst nog het een en ander met broer Hartwig gaan bespreken."

Bij alle liefde en de broederlijke overeenstemming, die er anders was tusschen Lambert en Hartwig, bestond er over dit onzalige Johann Wittenborg-proces een groot verschil van meéning, geheel veroorzaakt door het verschil van karakter der twee broers en zonder dat van eenige scherpte of boosheid van een der twee sprake was, zou dat verschil heden vooral scherp blijken.

De uitnoodiging was voor den middag. Reeds lang voor noen reed Lambert, door Wizlaw Rolof vergezeld, de stad in en liet zich door Erich Bodener, dien hij dadelijk opzocht, nog eens precies vertellen wat er gisteravond was voorgevallen. Op de straten vertelde men elkaar al wat er in Birkebusch z'n kelder was gebeurd; hoorders en vertellers trokken daarbij erg verschillende gezichten, de eenen bleken vrij bezorgd om den stadsvrede, anderen voelden een zekere genoegdoening of zelfs leedvermaak.

Hartwig, die op 't stadhuis al gehoord had van de dagvaarding, wachtte Lambert en ging met hem in het kleine kantoor. Toen de bediende, die van Hartwig het bevel kreeg geen mensch binnen te laten, zich verwijderd had, toonde Lambert zijn broeder de ambtelijke dagvaarding van de rechtbank. „Ik weet het Lambert," zei de ander, na even een blik er op te hebben geworpen, ,'t is goed dat je eerst