is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voedde en waarin zij behoorde. Een leven rijk aan verwachting zou uitgeroeid worden als onkruid, een edele naam uitgewischt als valsch schrift! Nooit! Je behoort aan Lübeck!"

„Oom Wittenborg, ik verzeker u, dat u zich vergist. Nooit is de stad me zoo vreemd, zoo hatelijk voorgekomen als vandaag, nu ze u ten onrechte hebben veroordeeld. En u zult toch toestemmen, dat ik een bedroefd beetje Lübecksch koopmansbloed in mijn aderen heb. Ik wilde al altijd graag door de wereld zwerven, nu is mijn verlangen daarnaar driemaal zoo sterk. En dat verbannen? Er kunnen andere tijden komen, de bedeesde Raad gedenkt zijn oude kracht — dan volgt er weer een ommekeer."

„Er zal alleen een ommekeer komen, als mijn hoofd gevallen is. Eens zal je me danken dat ik je weerstand heb geboden en niet aan je verzoek voldaan. Om mezelfs wil mag en kan ik niet vluchten, Lambert, al was ik ook honderdmaal net als jij overtuigd, dat ze vandaag een te zware boete hebben opgelegd. Mijn vlucht zou voor elke booze verdenking de deur wagewijd openzetten; de laster zou driest haar kop omhoog steken, mijn vlucht zou zijn het zegel onder elke valsche beschuldiging. Ook kan ik me als vluchteling geen levenswaardig bestaan voorstellen; ik ben een onvervalschte Hanzeaat, en nog zelfs een Lübecksch raadsheer in merg en been, ofschoon de Raad van deze stad me het leven al heeft ontnomen. Wat moet Johann Wittenborg doen in een vreemde stad, misschien in een ver land?"

„En als men u verbannen had, oom, zooals ik den Raad heb voorgeslagen P"

„Dan moest ik het lot dragen en 't zou trouwens iets anders geweest zijn. Een zusterstad in 't Wendenland, Rostock, Wismar of Stralsund zou me opgenomen hebben, ik had als gast mijn brood kunnen verdienen, misschien het poorterschap kunnen koopen. Maar als vluchteling, een vervolgde, als man met het eeuwige masker, wiens uitlevering Lübeck van eiken echten Hanzeaat zou kunnen vorderen — nooit en nooit! Voor mij is er op aarde geen hulp meer. Ik geloof dat alles zoo heeft moeten zijn, 't heeft in de sterren gestaan. Geloof je aan 'n voorgevoel? Herinner je je mijn droom, dien ik je op het strand bij Helsingborg heb verteld? Je hebt er toen om gelachen en zei dat de tegenstander uit mijn droom, die over leven en dood macht had, koning Anderdag in zijn purperen mantel was, en ik zeg je — 't is de roodmantel geweest, dien ik toen heb gezien."