is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„als ik u tot reisgenoot zou willen werven. Jammer! Jammer! De streek van Magdeburg, waar ik in den zadel steeg tot hier is me dikwijls eenzaam genoeg geweest. Neen — als er geen makker te krijgen is, denkt men wel eens over een dienaar. Wat denkt u, heer Emmo? Zou met uw verlof en dat van zijn ouders Hans Dreiling met me mee gaan?"

„Potstausend, m'n waarde gast! De bengel loopt zoo met z'n kop in het geluk. Ja of nee! Daar komt 't bij mij maar op aan. Laat me eens kijken! De oude man is wel mijn hoorige, maar of daarom de jongen niet vrij is en zonder mijn permissie gaan kan waarheen hij wil, dat is een eerste doctorsvraag voor een rechtsgeleerde, ik weet er niets van, want tot dusver is dat geval niet op Eckartsburgt voorgekomen."

„Maar zoudt u het goedvinden!"

„Waarachtig, zeker! En de oude Dreiling! Die moest nog stommer wezen dan een varken of een ezel als hij er tegen was. Wilt u wat goeds doen — we houden er wel is waar geen menschenhandel op na — geef de lui dan een handje zilver, daar schijnt ge goed van voorzien te wezen. Bedenk dat de Dreilings nog tien andere jonge monden hebben te voeren; ze zeggen vast niet neen."

„En Hans zelf?"

„Die deugniet volgt u door dik en dun, met dien kunt u reizen naar de Turken en desnoods nog verder, 't Moest ook een erg ondankbare hond wezen, nog erger dan een jonge koekoek, als hij 't niet met alle twee zijn handen aangreep."

„U noemt hem een deugniet. Acht u hem soms ongeschikt voor bediende?"

„Integendeel! Door de bank noem ik al het jonge vee in mijn bereik deugnieten. Hans zal 't wel leveren, al is hij nog zwak van botten en hol van buik. Geef hem goede kost, en een warm buis, dan kunt u met hem over de sneeuwbergen trekken. Vergeet niet hem eens of tweemaal in de week op zijn ribbekast te komen of minstens eens flink aan zijn ooren te trekken, want hoewel u me tegenhield, zooiets behoort bij een goede opleiding voor bediende."

„We zullen zien. In elk geval dank ik u voor uw bereidwilligheid om op mijn plan in te gaan. Kan Hans rijden?"

„Laat de jongen naast u loopen of een eindje achteraan draven, dat sterkt zijn longen en zijn beenen; van een strijdpaard zou hij naar beneden tuimelen, maar op een ezel of muildier blijft hij wel zitten."