is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezoeken en zette zich graag met Lambert, die hem op 't eerste gezicht al erg beviel, in een kamertje naast de groote gelagkamer tot een avonddronk. Hij nam graag een fermen slok, waarom de dankbare waard uit voorzorg twee kannen Würzburger wyn op de tafel had gezet en omdat broeder Anselmus graag een kabeltje spon, als hij meende dat het aan zijn toehoorder besteed was, bestreed hij, bijna alleen de kosten van den dialoog. Slechts hier en daar kon Lambert er een zin of een vraag in strooien.

„Drink eens een flinken slok, mijn waarde, jonge heer van de Oostzee. Laat een goede golf stroomen over uw tong en verhemelte. De wijn is een goed gezellig ding en verblijdt het menschelijk hart, en ik verzeker u dat uw schepen zelden een beteren droppel zelfs van den Rijn over Vlaanderen in uw vaderland hebben gebracht, dan dezen. Hij loopt als melk, bloed en vuur door de aderen."

„Gij zjjt erg vroolijk van gemoed, al draagt gij een pij en hebt geeen zuur beroep als heelkundige, broeder Anselmus. 't Is plezierig zitten aan uw zij." En Lambert deed hem bescheid.

„Ik ben altijd nog een zwak geestelyk vat, zegt onze prior en hij mag op zijn manier den spijker op den kop hebben geslagen, 'k Zing het Hora mee en bid mijn rozekrans met een eerlijk, en eenvoudig gemoed, voor de rest gooi ik alle peinzen en piekeren over boord en bekommer me alleen om mijn geneesmiddelen en de zieken voor wie ze zijn. 't Is anders niet veel wat 'n mensch kan doen; ik weet dat thee van bitterklaver goed helpt tegen de koorts van St. Antonius vuur, kan een verband aanleggen en een bloedende wond zonder tooverspreuk stelpen, — overigens is het vertrouwen van de menschen het beste."

„Ik heb ook eens vertrouwen gehad in.een heelkundige, een collega van u, een broeder Hilarius van de Benedictijners. Een erg goede vriend van me."

Geen klooster mag een broeder medicus ontberen. Daarom zien ze bij mij veel door de vingers, waar een ander voor berispt wordt en ik leid een tevreden leven, sinds ik uit Italië teruggekeerd ben. Ik hoor dat u daarheen wilt gaan. Op een goede reis dan, misschien op onze reisgenootschap, want ik denk ook nog eens naar den wandelstok te grijpen en wel spoedig."

„Is u al eens in Rome geweest, broeder Anselmus?"

„Dat zou ik meenen," antwoordde de monnik glimlachend.

„Zoo! kom laat u niet lang nooden en vertel 't me eens, als 't ten minste geen geheim is."