is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er toch een heele tijd moeten verloopen. Signor Angelo had eerst heel bereidwillig — later wat langzamer — zyn geld voorgeschoten, doch nu begon 't hem te vervelen; wel zag hij in, dat het voor hem heel moeilijk zou gaan om uit de klem te komen. Zijn hertog was geen pingelaar of lastige sinjeur geweest; in den beginne had hij vlot en zonder ooit te klagen betaald, leefde er ook nu vroolyk op los alsof hem op deze wereld niets kon ontbroken. Daar de waard evenwel geen al te groote schuld van den gast in zijn boek wilde laten oploopen, dacht hij, op 'n eigen speciale manier van hem, daar een schotje voor te steken. Hij besloot hem de mooie kamers, die hij gehuurd had op de eerste verdieping, op te zeggen onder voorwendsel, dat ze door een nieuwen vreemdeling waren besproken en gehuurd. De ander nam die tijding echter verkeerd op en antwoordde op de vraag of hij soms een paar kamers wilde, die wat hooger waren gelegen, of liever naar een ander logement ging, met 'n stevige Duitsche vloek en met de barsche verzekering dat hij ieder, die het hart in zijn lijf had om de spullen van zijn lui uit hun tegenwoordig verblijf te zetten, alle ribben in z'n corpus zou stukslaan. Ongelukkigerwijs had signor Angelo, die zich geheel Italiaan voelde, die bewering voor een ijdele bedreiging gehouden, zoodat hij er zich niet aan stoorde en op een goeden dag, toen de gast was uitgegaan, toch de kamers liet ontruimen, al had de ander 't niet te willen hebben.

's Middags, tegen donker kwam de Duitscher thuis, hoorde op den drempel al door zijn menschen de wandaad van den waard, zooals hij diens eigenmachtig optreden beliefde te noemen en nu brak een ontzettend onweer los, waarbij zeer begrijpelijk in een minimum van tijd een aantal der logeergasten, meest Duitschers, als toeschouwers en toehoorders op de vlakte verschenen.

„Ben ik hier in een dieven- of roovershol terecht gekomen?" riep de woedende Duitscher, die vergeleken bij den logementhouder hetzelfde figuur maakte als een knoestige eik tegenover een wankelend riet, en zyn donderende stem daverde in de ronde. „Sinds wanneer is 't in de republiek veroorloofd een fatsoenlijken gast achter zijn rug om en tegen zijn zin uit zijn kamers te zetten ? Ik heb wel gehoord van Italiaansche bandieten, maar had ze alleen in de Apennijnen en de Abruzzen gezocht. De bliksem sla in je vervloekte herberg, als —"

„Uwe genade" viel de kleine man in, terwijl de vergrimde even adem schepte. „Wil me genadig verontschuldigen dat —"