is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII. AAN DE WOLGA.

Meer dan een half jaar was verloopen. De herfst van anno 64 bracht na den warmen zomer overal in Neder-Duitschland een rijken oogst aan vroege vrachten.

In den moestuin op den Hadewartschen Meierhof aan de Trave gingen Ortwin Hyddo en Rolof het hoofdpad op en neer en gaven elkaar hun meening te kennen over Hans Dreiling, die dicht bij den oever van de rivier de roodwangige vruchten van een statigen appelboom opving in een plukschort.

„De jonge klautert als een eekhoorntje in de hoogste takken; goed dat de takken slechts boven de Trave hangen; als hij tuimelt zit er niet meer op dan een onvrijwillig bad," zei Ortwin Hyddo.

„Maak je maar niet benauwd over dien bengel," antwoordde de ander, „hij kan klauteren als de beste scheepsjongen, al verstaat hij anders van het zeewezen nog minder dan een rendier. En als hij valt — reken daar maar gerust op — komt hij op zijn beenen terecht, net als een kat."

„We hebben nog nooit zoo'n bruikbaren plukkersjongen gehad. Zeg Wizlaw, je schijnt anders niet erg over hem te spreken te zijn?"

„Niet meer dan hij verdient, Hyddo! Zulk volkje moet altijd op z'n pokkel worden gespeeld, als je ze prijst is 't glad verkeerd. Maar onrecht wil ik 'm toch niet doen. Klimmen en ooftplukken kan hij, als bodelooper is hij onbetaalbaar en met die dingen uit Neurenberg, met de donderbussen, weet hij beter om te gaan dan ik zelf. Daarmee zijn we echter ook klaar. Bij de paarden is hij te dwaas, bij het laden en lossen te zwak — en op zee? Hij is in staat nu nog bakboord en stuurboord te verwisselen en zou zich niet eens verwonderen als de een of andere vroolijke scheepstimmerman het galjoen aan den voorsteven timmerde. Wat heb ik me een moeite gegeven