is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dekken, dat was de volgende opgaaf en net zooals hij had beweerd, voogd Heinrich Bülow loste haar op door zijn klerk Hermann Angler grof te lijf te gaan. Want de schrijver was van een buigzamer natuur dan zijn Russische rotgezel.

De Duitsche voogd had den ongelukkige, die zijn roes van gisteravond nog niet eens geheel had uitgeslapen, van zijn bed laten lichten; twee knechts van den Peterhof brachten hem naar het kantoor van Bütow. Toen die hem, zonder een woord te zeggen, waar de Lübeckers bij waren, de strook papier liet zien, brak de ongelukkige schrijver uit in een gehuil en gesnik en geklaag en gejammer, viel op zijn knieën en strekte zijn handen naar de heeren uit, al roepende „Genade, Erbarmen!"

„Dat is nog 'n misselijker produkt, dan die verstokte Rus," bromde Wizlaw Rolof.

Ernstig en afgemeten begon Heinrich Bütow den overrompelde zijn positie en toekomst uiteen te zetten. „Ik wil je niet bedriegen, Hermann Angler, hoewel 'n mensch tegenover zoo'n schandelijk misbruik van vertrouwen elk middel zou mogen gebruiken. Je blijft voorloopig in arrest, wordt met schimp en schande weggejaagd en aan den schandpaal kan en wil ik je niet onttrekken. Dat wil de wet nu eenmaal. Maar in de skraen staat ook, dat een berouwvolle bekentenis de heele straf kan verzachten en verminderen. Met volle recht zou ik je voorhoofd en ooren kunnen laten branden door het ijzer van den beul; dat zou misschien achterwege kunnen blijven. Denk eens, wat je bij je drankzucht totnogtoe schijnt vergeten te hebben, denk eens aan je vrouw, aan je heele toekomst! Met 'n gebrandmerkt voorhoofd kent ieder je in de heele wereld, niemand geeft je werk, en roover te worden, daar ben je te beroerd voor, je crepeert achter de heg —"

„Ik zal alles bekennen," huilde de dronkaard en begon op te biechten. Zijn zucht tot drinken had hem in de schulden gewerkt, en door de duiten, die Iwan Budanow hem had voorgespiegeld, was hij verlokt. Die had met nog wat lui de gang gegraven; hij zelf had bij de levering koopmansgoed van veel waarde op den kop getikt. Ook de anderen in het kleine blokhuis aan de Wolga, buiten de stad, verklapte de overblufte misdadiger.

En ze snapten de vogels, die lagen te ronken uitrustende van hun voordeelig nachtwerk. Ze vloekten als ketellappers toen ze zich in eens beetgepakt en overrompeld gevoelden. Een van hen, Gregor,