is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klopte, „wees maar niet bezorgd, het drinken zal hij hier wel leeren en wij zullen er op letten dat hü jou school eer aan doet. En Hans, mijn jongen, hoe gaat het?"

,'k Ben gauw weer klaar om op de jachtte gaan, meneer," kwam het antwoord en Lambert ging naar de tafel der overlieden.

Hier luisterde men graag naar allerlei voorvallen uit zijn leven, op zijn leeftijd had hij veel meegemaakt en behoefde heusch zijn toevlucht niet te nemen tot fabeltjes en leugens. Maar noch zyn tocht naar Bergen en de Lofoden, noch de krijgstochten van Wisby en Helsingborg werden zoo geliefd als zijn reis in Italië. Want de mannen van den Peterhof kenden allen de Oostzee zoowel als de Noordzee, maar Italië, aan genen kant van de Alpen, dat kwam dezen en genen nog als een wonderland voor. — — —

Vanavond werd Lambert uit de zaal geroepen, een knecht

berichtte hem dat buiten een vreemdeling stond, die hem even alleen wilde spreken, 'n Beetje verwonderd stapte Lambert naar het portaal, en vond daar een reus van een kerel, die een slip van zijn langen mantel gedeeltelijk over zijn gezicht had geslagen.

Toen de vreemde den mantel liet zakken, zoodat zijn gelaat zichtbaar werd, stiet Lambert een uitroep van verbazing uit en zei langgerekt: „—Jij — hier — kapitein — Knut Hammers?"

„Ik ben of liever was het. U hebt me goed herkend. Wilt u me op een kamer onder vier oogen aanhooren?"

„Graag, volg me maar!"

Zonder verder te spreken gingen ze het portaal uit, liepen een stuk open plaats over en betraden toen het vreemdelingenhuis, waarin Lamberts kamer lag. De gastheer wierp nog een paar blokken op de glinsterende kolen in den haard, stak een paar kaarsen aan en liet zijn gast plaats nemen op een stoel met een berenvel. Spijs en drank sloeg de gast af, daar was later tijd voor, eerst moest hij vertellen wat hij op 't hart had.

„Daarnet hebt u me kapitein Knut Hammers genoemd, meneer Hadewart! Dien naam draag ik al 'n heele poos niet meer. U weet dat ik net zoo dikwijls van naam heb moeten wisselen als een ander van buis. Met dat kapiteinschap staat 't een beetje anders gesteld; met den Deenschen kapitein heb ik even lang afgerekend als met den naam, maar een week geleden kon u me ten minste nog een rooverkapitein noemen."

Zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken, luisterde Lambert