is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terug — de wolven staken een oogenblik hun gehuil — eenige blijven staan — Werner Btltow kijkt naar voren en „gered!" klinkt als eerste woord van zijn lippen. „De toren, de toren!" en dan gilt zijn stem ver over den weg: „Hallo, hallo!" Ook de voerlieden verheffen hun stemmen, terwijl de roofdieren hun gehuil nu heelemaal laten zwijgen en nog maar erg matigjes achter de sleden aandraven. Hallo, hallo! Daar is de ringmuur, het dak van een blokhuis steekt er boven uit, nog meer de steenen toren — een poort, waarbij eenige met pieken gewapende mannen zich bevinden, staat wijd open; ze rijden er binnen — gered, gered!

De toren der Duitsche orde, in vroeger tijd opgericht ter beschutting en verdediging tegen de oproerige Lithauers, toen de Pruisische en Lijflandsche orderidders zich vereenigden, diende nu hoofdzakelijk als vaste en veilige verbinding tusschen de comtureien Königsberg en Riga. Reeds menige troep, menige slede, had hier, zooals die nu van Nowgorod, bescherming en hulp tegen de wolven gevonden. Naar oud gebruik bracht hier een ridder met twee dozijn knechten den winter door. De torenwachter had de naderende fakkels gezien en gemeld; men was al klaar om uit te rukken om hulp te bieden, toen de sleden voor de poort kwamen.

Toen Werner Bütow al die toebereidselen zag, riep hij uit: „Bij den Heiligen Hubertus! Als we dat geweten hadden, hadden we langzamer kunnen rijden en een fatsoenlijke kloppartij met dat gedierte kunnen beginnen. Als u ons geholpen hadt, hadden we 't wel met ze klaar gespeeld."

„'t Is me toch liever zoo," zei Lambert lachend, „minder om me zelf, maar afgezien nog van Harms, die maar een schram heeft, bloedde mijn oude Wizlaw te erg."

„Denk daar maar niet eens over, meneer," zei de oude, „de krab vriest al dicht door de kou. Voor mijn bloedsbroeder Balthasar heb ik wel een duim over gehad, zachts dat mijn heer me een wolvenbeet waard is!"

„In het blokhuis zullen we je wond toch maar eens goed onderzoeken en verbinden", zei de witmantel, een ridder von Delmenhorst, die juist de torendeur uit kwam, om zyn nieuwe bezoekers te begroeten. — —

Dat was me een vroolijk welkom, toen de Duitsche ridder het doel en de reden van den koenen tocht hoorde, want hij kende ridder Balduin von Borrien, onder wiens comthur de toren met het blokhuis