is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XVII.

OP KAAPVAART.

O Wisby, Wisby! Gij, schoone pupil van het Oostzeeoog Gothland, wat is uw stralende glans aan het afnemen! Nog is ter nauwernood een lustrum verstreken, sedert de harde hand van het noodlot, de in staal gepantserde krijgershand, zich op u legde, o schoone stad, en reeds begint het der wereld openbaar te worden, dat ge van 'n schoone, bloeiende vrouw bezig zijt een vergrijzende matrone te worden. Wee, wee over u koning Waldemar Anderdag! Ge hebt een diepe, ongeneeslijke wond geslagen in een krachtig, gezond lichaam, en nog is geen geneesheer opgestaan, die herstel wist te brengen. Te vergeefs staart de schipper in den duisteren nacht naar de plaats waar vroeger de heldere karbonkelsteenen van St. Nicolaas hem tegemoet schitterden en lokten. St. Nicolaas is een blinde gebleven. En nog altijd gaapt in den ringmuur der verdeemoedigde stad de hatelijke bres, waardoor eens de overmoedige overwinnaar met ros en ridders zijn triumfantelijken intocht hield.

Slimmer nog dan in de stad, waar zulke treurige teekenen herinneren aan Wisby's vreeselijksten dag, ziet het er in de haven uit. De haven is ten allen tijde het hart der Gothenstad geweest. Nauwelijks een vierde deel van het aantal der schepen dat er vroeger ankerde, ligt op de binnenreede, vroeger werd er dikwijls gevochten om een goed plaatsje om te laden en lossen aan den havenmuur te krijgen; nu is er ruimte genoeg, geen schipper behoeft zich te haasten. Het scheepsvolk spant zich niet meer zoo in, 't lijkt haast of de wimpels slapper langs de masten hangen. De deuren der pakhuizen knarsen hier en daar als in roestige hengsels, de grendels worden lastiger weggeschoven.

En weer in de stad — wat zijn straten en stegen dun met menschen bezaaid, zoo eenzaam, zoo leeg en stil! Geen fiere, vroolijke moed