is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegeven. Natuurlijk kon niet achterwege blijven, dat koning Anderdag luide protesteerde over deze schending van den vrede, maar om zelf den oorlog te beginnen tegen Lübeck of de Hanze, daartoe ontbraken hem de middelen en hij kon alleen maar verklaren, dat hij voor zich zoo'n kaperschip als een gewonen zeeroover zou behandelen. Zoo'n brief beschermde dus den kaapvaarder alleen in de oogen der Hanze en der neutralen.

De beide Hadewarts, oom en neef, juichten bijna van vreugde over dit bericht, Lambert jubelde luid. Dat was een bof, 'n baantje voor hem; schipper en bevelhebber van een goed uitgeruste krijgskogge, hij in persoonlijken oorlog met den koning van Denemarken! Naar gevaar had hij nooit angstig gevraagd, wat maalde hij erom, dat heer Anderdag hem en de zijnen zeeroovers zou noemen! Over één bezwaar, of namelijk het huis Hadewart onmiddellijk was benadeeld door den Deenschen koning, van welk feit het af zou hangen of Lambert een kaperbrief kon krijgen, hielp zijn oom hem heen, door hem er op te wijzen, dat hij, als dat niet het geval was, een ander Lübecksch burger zijn schade kon afkoopen.

Lambert hunkerde er gewoonweg naar om snel naar Lübeck terug te keeren en aan het nieuwe plan te gaan werken. Daar trad de nog niets van dat nieuws vermoedende Harms treurig en neergeslagen de kamer in, bij de twee anderen en Lambert riep hem toe: „Zeg, waarom zulke rimpels in je voorhoofd en dat bij zulk goed nieuws? Hoor eens naar deze tijding, vriend" — en nu legde hij kort, helder en duidelijk zijn plan uit en besloot met de vraag: „En Harms? Hoe staat het er mee? Wil je bij me zijn op de planken, als stuurman of rotmeester of wat voor naam je je ook geven wilt?"

Toen kwam een straal van echte levensvreugde over Harms gerimpeld gelaat — wat 'n gelukkige oplossing voorloopig na dat zware uur! — en hij reikte den ander zijn rechterhand en antwoordde: „Neem me op uw schip en geef me een zwaard of een speer in de hand tegen mijn erfvijand! Stel me op het dek van uw kogge en ik zal haar als mijn vaderland beschouwen en niet van haar wijken tot de dood of uw bevel me voortjaagt."

„Een goed begin van mijn onderneming! De manschappen zijn zoo bijeen, Wizlaw en Hans, bij wie ik er nog maar op gezinspeeld heb, zijn vuur en vlam, meenen al dat ze aan boord zijn en spreken met Balthasar nu al over hun eersten tocht. Nu oom? Ik hoop dat