is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kern der opstandelingen, de kuipers en andere handwerkslieden, die met zwaard en piek gewapend, zich niet als een bende schooljongens laten wegjagen. „Neer de wapens! Rust en orde in Lübeck! Ik heet Lambert Hadewart!" Zoo roept de geweldige man met luide stem, de anderen hooren het, maar doen het niet. De vechtlustige snijdersbaas, die weer heelemaal van den schrik hersteld is, herkent dadelijk zijn tegenstander, hij weet dat een Hadewart niet tegen den Raad en de overheid in verzet komt en roept wild: „Op ze los! Wil jullie je als memmen overgeven, en aan den Raad laten uitleveren ?

Voorwaarts dan!" klinkt het van Lamberts lippen.

Een kort gevecht en geschermutsel begint; de kuipers zijn wel wakkere kerels, maar de afloop kan niet lang twijfelachtig wezen, doordat ze geen goeden aanvoeder hebben. Niet te veel burgerbloed wordt vergoten, de tegenstand verflauwt vanzelf. Door het woedende heen wil de woeste snijder Kurzrock Lambert zelf te lijf, die heeft eigenlijk medelijden met het arme snijdertje, met het plat van zyn zwaard geeft hij den kleinen man een fermen tik en met een gebroken bovenarmbeen tuimelt deze neer met een onwillekeurigen kreet. De zoo ontwapende schetteraar wordt by zijn kraag gepakt en op Lamberts bevel vastgehouden; later, als het kleine troepje dat nog weerstand kan bieden, inziet dat alle tegenweer nutteloos bloedvergieten is en de wapens neerlegt, wordt de dolhoofd van een sntfder in het kamertje

van den poortwachter gestopt.

De Holsteinpoort is in Lambert z'n macht. Hij geeft zijn rotmeester een wenk om van de ontwapende vijanden er zooveel mogelijk te laten ontvluchten in de naaste straten en snelt dan een der beide poorttorens in, de trap op, gooit een venstertje open en schiet zijn zakpistool naar buiten af. Dat is het met Wizlaw en Hans Dreiling afgesproken teeken, dat de donderbussen moeten zwijgen en de manschappen kunnen naderen. Een kort en vroolijk handgeschud met Hans en Wizlaw en dan gaat de overwinnaar het kamertje binnen, waar Kurzrock koppig in een hoek zit, met de hand zijn gebroken arm steunend. Verwonderd kijkt Lambert hem aan en zegt: „Wat, meester Kurzrock, nog hier? Hebt u zoo'n groote lust om voor den Raad te verschijnen ot naar de gevangenis te verhuizen?"

Doch de kleine man geeft ten antwoord: „Ik zal even goed, als een der aanzieniyke families, op het schavot weten te sterven.

Goed zoo. Zweer het maar niet, je schildert den duivel niet

ongestraft aan den muur. Je viert maar eenmaal bruiloft met de

25