is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terug. Graaf Heinrich van Holstein, ridder Lars von Hummelsbüttel, Lambert Hadewart konden onder hun mannen verscheidene dozijntjes van zulke voor Helsingborg thuiszijnde vreemdelingen tellen. De haven was versperd, de naar het Noorden loopende kuststrook tot aan de plek, waar koning Waldemar eens zijn landing volvoerde, dicht bezet met koggen en proviandschepen der Hanzeaten en hun bondgenooten — bij al dat werk verliep week aan week, voor een eenigszins merkbaar succes of een wezenlijke vooruitgang in de belegering te bespeuren viel. Aan een uithongering viel niet te denken, onder de hoede van een Henning van Putbus en een Yicko Molkte moest de sterkste van alle vestingen goed geapproviandeerd zijn. Ook was Moltke er de man niet naar om zich door een steenenhagel van eenige dagen murw te laten gooien. Wie als krijgsman op de muren of in de straten werd getroffen, stierf een eerlijken dood in de uitoefening van zijn beroep; de burgers mochten zich verstoppen in hun kelders, waarin ze voldoende bescherming vonden tegen de projectielen der vijandelijke blijden.

De Hanzeaten hielden den vijand gevangen — maar konden hen niet grijpen.

Aan het wachtvuur, niet ver van een sterke blijdenschans, zaten twee mannen, of zooals Wizlaw, de een van de twee, zou gerekend hebben, anderhalve man, want hij wilde zijn nevenman Hans Dreiling, nog altijd niet voor een vollen krijgsman erkennen, hoewel hij zich slechts met een bezwaard gemoed van hem zou hebben gescheiden. De strijd tusschen de vesting en den belegeringsgordel was's avonds geschorst; het heette dat Bruno Warendorp de bevelhebbers in zijn tent bijeen had geroepen om krijgsraad te houden. Hans, die behalve zijn donderbussen, die naar zijn meening niet genoeg tot haar recht kwamen, ook voldoende opmerkzaamheid wijdde aan het kookgereedschap van zijn heer, roerde met een houten lepel met langen steel in een kleinen koperen ketel, die aan een ijzeren driepoot boven het vuur hing en floot onder-de-hand de melodie van een lied van Harms Schutner, dat het scheepsvolk van de Wolf dikwijls had gezongen.

„Jongen," viel de oude, die zich half omdraaide, hem in de rede, „let op je pot. Fluiten en kooken gaat niet goed samen."

„Ja wel, Wizlaw, je moet die twee dingen alleen maar samen geleerd hebben. Doe nu maar niet net of je het meent, want je hoort het lied van den Lübeckschen Wolf wat graag."