is toegevoegd aan uw favorieten.

Lambert Hadewart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van mijn lijf houden. Als 't eenigszins kan, moet ik de eerste Hanzeaat zijn, die in Helsingborg komt."

„Er is geen mensch, die je die voldoening meer gunt dan Lars Hummelsbüttel; jammer dat Anderdag er ook niet in is."

„Een on-koninklijke koning, die zyn land in de steek laat. Maar genoeg, meer dan genoeg van hem. Een vraag, ridder Lars, en dan is 't voor van avond al weer mooi geweest. U hebt gehoord dat ik een nieuwe schans ga opwerpen voor de groote Lübecksche kat vlak bij den muur, zoudt u me door uwe lui met spaden en schoppen willen laten ondersteunen?"

„Met alle plezier! Laat je oude rotmeester Rolof de lui maar gaan halen, ik laat me vannacht ook wel eens zien bij den bouw. Samen met de spa en samen als de bres gaapt, voorwaarts met het andere ijzer! Tot weerziens, Lambert! Ik ga myn troepen opstellen om jou te komen helpen."

Na een handdruk ging Hummelsbüttel weg en zocht zijn tent op, terwijl Lambert met Wizlaw en Hans de manschappen verzamelde voor den nachtelijken schansbouw.

Verscheiden dagen woedde voor Helsingborg een moorddadig gevecht om de bres, taai waren de beide tegenstanders Bruno Warendorp en Yicko Moltke. Telkens lieten de Hanzeaten van zonsopgang tot zonsondergang al hun werpmachines spelen op den reuzenmuur, boven tegen de tinnen donderden de steenblokken der blijden, van onder vlak boven den grond beukten de balken der katten, krakend tegen den rotsigen onderbouw. Verhinderen kon Moltke het niet meer, maar in de stille duisternis van den nacht repareerde hij met onuitputtelijke vindingrijkheid de schade welke overdag was aangericht, goot nieuwen mortel in de scheuren in de muren, welke 's nachts verhardde en verbond en bevestigde de wankelende tinnen en toppen met ijzeren klampen en banden. Daarom beval Warendorp dat den volgenden nacht de blyden zouden blijven doorwerken en vooral het bovenstuk van den muur tot doelwit moesten nemen, om den Denen de lust te benemen tot verdere reparatie. Moltke hield vol _ al mochten er tien verpletterd worden, hij zelf stond zonder eenige vrees in de voorste gelederen der verdedigers.

Op een avond viel een stuk van den muur in de gracht; of de bres wijd genoeg zou zijn om morgen een storm te veroorloven, kon geen sterveling in de stad vooruit vertellen; de Deensche veldheer wist dat er geen heelen meer aan, geen heil meer mogelijk was;