is toegevoegd aan uw favorieten.

Intramoleculaire atoomverschuiving bij Azoxybenzolen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natron afscheidende massa bleek evenveel hars te bevatten als bij de vorige proef, zoodat de lagere temperatuur geen merkbaar voordeel opleverde. Zij werd eerst op een aarden bord uitgeperst, waardoor wat hars werd verwijderd. In kokenden alcohol loste niet alles op, maar er bleef eene lichtgele, in alcohol onoplosbare, stof achter, die door uittrekken met kokenden benzol werd opgelost tot eene fluoresceerende vloeistof. De stof smolt onder ontleding bij ± 265°; zij was geheel indifferent tegen zuren of basen. Daar de opbrengst aan deze stof klein was, was het mij onmogelijk, hare samenstelling op te helderen.

Uit de heete alcoholische oplossing werd 5 Gram der bij 66"— 67° smeltende stof verkregen in zuiveren toestand, alzoo 121/* °/o, maar de bij de afkoeling der alcoholische oplossingen zich eerst afscheidende harsen bevatten ongetwijfeld nog belangrijke hoeveelheden er van. Van deze verbinding werden elementairanalyses en stikstofbepalingen gedaan : C6H6N=NC6H5. Berekend °/0C 79.05; gevonden 79,09; 79,00.

°/,H 5.53; » 5.771 5>80. °/0 N15.41; „ 15,20:15,50.

Door koken met salpeterzuur (s. g. 1,4) kon uit de stof eene verbinding verkregen worden, die na omkristallisatie uit ijsazijn, bij 218" smolt, na herkristallisatie onder toevoeging van wat HN03 bij 222°, en dus p.p.dinitroazobenzol was. De gevonden stof was dus azobenzol.

De andere helft der benzoylvloeistof, die na staan niet de minste kristallisatie vertoonde, werd in een graphietbad bij lagen druk gedestilleerd. Bij 90° en 14 m.M. begon benzoylchloride over te destilleeren, en toen er minder benzoylchloride overging, steeg de temperatuur der dampen spoedig tot 120". Tusschen 170° en 210° ging nu