is toegevoegd aan uw favorieten.

Jacobus Koelman

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koelman, cn het antwoord luidde: «omdat in en na deze philosophie de natuurlijke rede der menschen en de natuurlijke philosophie zoodanig verhoogd wordt, dat zij niet onder, maar naast de Schriften staat, ais even zeker en onfeilbaar»; — «dat ze alzoo zeker als de H. Schrift is». — «dat het aan de rede staat, alle dingen ter beproeving te roepen en te zien of iets van hetgeen wij meenen in de schrift te zijn, tegen de klare bevatting der rede strijdig is».

Zoo wordt bevestigd, wat wij boven zeiden. Koelman zag heel goed in welk het eindstation op die lijn van redeneering zou zijn. Eerst eene bereidwilligheid om te buigen voor de Schriften, wanneer de resultaten van het denken in strijd mochten zijn met de uitspraken der H. Schrift. Daarop volgde reeds eene gelijkstelling van rede en Woord Gods, zooals wij hier lezen: «alzoo zeker als de H. Schrift». Om te eindigen met de suprematie der rede en de stoute pretentie derzeive, dat het aan haar staat om «alle dingen ter beproeving te roepen», om al wat met haar strijdig is als onwaarheid ter zijde te stellen.

En waarom kon Koelman dit alles niet aanvaarden? Omdat hij geen Pelagiaan was; omdat hij met alle kracht vasthield aan den val en deszelfs gevolgen, ook met betrekking tot den menschelijken geest. Onmogelijk kon de rede voor Koelman gezond, helderen klaar zijn op 't gebied der seculaire wetenschap, om plotseling te zwijgen op 't terrein der Theologie en getieel te buigen voorde uitspraken der Schrift. Nog veel minder kon hij aanvaarden, dat zij beide op 't gebied der natuur en schriftuur heerscheresse zou zijn. Hij zeide o. a.: « Zulk eene philosophie, die de rede des menschen, na zijn' val zoo verheft, dat zij in haar bevattingen, wanneer die naai des menschen verzekerde oordeel klaar en distinct zijn. alzoo hoog, alzoo zeker, alzoo onfeilbaar is als de Schrift,

') Idem, blz 162—163.