is toegevoegd aan uw favorieten.

Jacobus Koelman

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TTacl de Kerk dit laatste meer voor oogen gehouden, dan zou men zeker nooit tot de aanneming van Artikel 5 gekomen zijn, merkt hij op, tot de approbatie van het « Jus Patronatus ». Men verstond daaronder «een recht en eene macht om te mogen benoemen en voor te stellen een persoon om predikant te wezen in eene vaceerende Kerk, wegens dat zijne voorouders of degenen van wie dit recht afgekomen, en daarna overgeërfd, verwisseld, verkocht is, eene uitnemende weldaad aan de Kerk hebben toegebracht, waarop hun dan tot vergelding dat recht als een loon en weldaad geschonken was».1) Wilde men weten, waarom dit «jus patronatus» te verwerpen was, Koelman zal het wel zeggen. In de eerste plaats was het geheel buiten de Schrift, daar nooit bewezen kan worden, dat kerkelijke verkiezingen op een lidmaat van de Kerk zouden overgebracht worden op grond van het stichten en begiftigen van den uiterlijken tempel. Vervolgens mocht dat recht nooit verdedigd worden, omdat het simonie, kerkroof en anti-christische tirannie in zich bevat. En eindelijk moest men het van de hand wijzen, omdat daardoor de verkiezing van leeraren overgebracht werd bij «onwetenden, kinderen, vrouwen, atheisten, ketters en afgodendienaars». 2)

En ten slotte werd eene onberekenbare schade aan de Kerk toegebracht door de aanvaarding van Artikel 37 der « Kerkordening », hetwelk de vrijheid aan de Overheid liet, dat haar Gecommitteerden in den Kerkeraad zouden zitting nemen.3) In de eerste plaats kleefde er iets beleedigends aan. Ketters immers mochten in eigen kring vergaderen en bijeenzijn, en waarom dan de gemeente van Christus niet?4) Maar dit was niet alles. Hoe schadelijk moest dit

') Idem, blz. "143. s) Idem, bh. 144. 3) Idem, blz. 150. *) Idem, blz. 151.