is toegevoegd aan uw favorieten.

Jacobus Koelman

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men in die dagen zooveel sprak en discussieerde over het «duizend-jarige rijk» en daarbij op allerlei onbijbelsche paden afdwaalde en uitermate extravageerde. ')

Om dit tegen te gaan, meende hij dit punt eens tot het onderwerp eener opzettelijke en nauwkeurige studie te moeten maken. En, dat hij nauwkeurig te werk is gegaan, blijkt zoowel uit de bestrijding van tallooze godgeleerden uit vroegere en latere eeuwen, als wel uit zijne eigene positieve resultaten.

Zijne meeningen dienaangaande waren de volgende. Op de vraag wanneer het «duizendjarige rijk» zou intreden, werd drieërlei antwoord gegeven. Sommigen dachten, dat het reeds voorbij was, als aanvangsjaar stellende het jaar van Jezus' geboorte of dood. of dat van de verwoesting van Jeruzalem of de bekeering van Constantijn den Groote; anderen hielden liet er voor, dat het nog moest komen in ver verwijderde toekomst; terwijl Koelman met Mr. Durham meende dat liet ± 1260 was ingetreden, en dus, reeds gekomen en nog te komen was. 2)

Vooral in de bestrijding der twee eerste opinies legt hij, als gewoonlijk, groote scherpzinnigheid aan den dag. Met de historie in de hand tracht hij duidelijk te maken, dat het nog niet gekomen kon zijn; terwijl hij op exegetische gronden meent te kunnen bewijzen, dat het niet in zoo ver verwijderde toekomst gesteld mag worden, om eindelijk voor zijne eigene meening de sterkste argumenten aan te voeren

Waarin de zegeningen van het « duizendjarige rijk » zouden bestaan? De auteur meent, als de «drie groote zaken, in welke de welstand der Kerk zig meest vertonnen zal», deze zaken te moeten noemen:3) «de verbreking van de vinnigste vijanden van de Kerk, den antichrist en zijn boozen aanhang;

') Idem, blz. 152.

•) Idem, blz. 109—172.

3) Idem, blz. 186.