is toegevoegd aan uw favorieten.

Jacobus Koelman

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Riep, en hiel nimmer in, wanneer hy diep beschouwde,

De val van Zions Volk: maar sprak zyn hert recht uit:

Keert weer, Afvalligen! keer! laat u doch behouden,

Door Jesus grooten Hebt, en zulken trouwverbond.

Dus hield hy daaglijks voor de rijkdom der genade,

En toonde met een aan, de schadelijke grond,

Die zomtnige niet zien, en sloeg die ook al gaade,

En zocht de valsehe rust te bannen uit het hert Van 't Nederlandsche Volk; ja, ook van alle Volken,

Door schryven, spreeken, door 't, gebed. Ja, 't was hem smert Als hy niet zach een ernst die heen drong door de wolken.

JACOBUS was syn naam, men zetten hem voet,

En stiet hem uit zyn dienst, ja uit de heele Landen.

Maar nu, dit is gedaan, God heeft die grootze moed Nu ook al weer belet; en heeft hem by de handen

Getrokken uyt zyn smert; ja, door de dood nu heen.

Doch 't was hem evenveel als hy maar Jesus leerde;

Was het dan niet voor groot, ten minsten 't was voor kleen. Dit was Alleen zyn wit, dat Jesus liijk vermeerde;

O kostelyk oogmerk! dit was de grond der zaaken.

Het einde van God zelfs, toen hy de Waereld schiep, Was maar alleen een Kerk daar in te willen maaken,

Daar hy verheerlykt wierd, toen hy het alles riep. Die worstelde met God, en geest'lykerwys Hem overmocht, de Kroon (de Satan, en syn leden. JACOBUS was zyn naam, en Jakob scheen hy heeden Ten trots) nu weg draagt in het hemelsch Paradijs. Hoe streed hy meenigmaal, aan 't Hof des hemels Zaal,

Voor Zion met gebeen, dit kon zijn Ziel meest kwellen;

Ja, kleefde zo vast aan, dat God doch altemaal,

Het geen gebrooken was, genadig wou herstellen.

Ja, als men 't eens herdenke; zijn ernst in alle zaaken,

Als 't opvoen van de jeugd in Gods verborgen kracht,

En de Ouden, om haar steeds aandachtig, te vermaaken In zuiv're waarheid, op dat uit haar wierd gebragt 't Fenijn van eigen wil, en rust op iets 't welk God Bragt uit haar oogen, ja zomtijds geheel het herte,