is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch Fransche en Engelsche invloed schijnt overwegend. Tusschen het Westen en het Oosten is slechts één schrede, in deze Stad der Woestijn. Doch trots de vlaggen veler natiën, die er wapperen; de stoombooten uit alle havens, die op haar reede ankeren of door haar Kanaal passeeren; de talen van Europa, die men er hoort; trots telegraaf en stoomverkeer met heel de wereld, bleef Suez wat het was, - een Egyptisch-Arabische stad, waar wel het Oosten en het Westen elkander ontmoeten, doch als vuur en water; niet saamsmeltende, maar afstootende.

In de Zending schijnt te Suez niet gearbeid te worden, schoon toch het arbeidsveld zeer belangrijk is, - vooral ook in verband met de Arabieren, die hier, op reis naar en van Yemen, vertoeven; en voorts om de zielen der duizenden Mohammedanen en Christenen, inwoners der stad. Waarom de Zending, te Cairo gevestigd, en langs de Nijl werkzaam, en het Britsche en Buitenlandsche Bijbelgenootschap het veld hier onbearbeid laten, werd mij niet duidelijk.

Een weinig ten Noorden der stad ligt Kom el-Kolzum, of Teil Kolzum, een heuvel, op welken een kiosk voor den Khedive gebouwd is. Van hier heeft men een aangrijpend vergezicht, zoo op de zee, die Azië van Afrika scheidt, als over de landengte, die beide werelddeelen weer even met elkander verbindt; en voorts op de kusten van het Sinaïtisch Schiereiland ten Oosten, en van NederEgypte ten Westen van den Zeeboezem. Natuurschoon, in de gewone beteekenis van het woord, biedt het panorama, dat van hier aanschouwd wordt, niets, behalve de steeds wisselende kleurenpracht der onbegroeide bergen, kort voor het ondergaan der zon ; en, zoo men daar een oog voor heeft, de symmetrie van het chaotische, hier wel tot volmaaktheid komende. Doch in belangrijkheid wordt dit deel der aarde kwalijk overtroffen.

Daar, naar het Zuid-W esten, verheft zich, als uit het midden eener zee van zand, de Jebel Attaka, wiens uitloopers geraken tot aan de Nijl, bij Cairo, terwijl hij zijn voet koelt in de Roode Zee. Oostwaarts, rust de blik op de bergen der Badiet el-li h, de „Woestijn der Omzwervingen", — woest daarheen geworpen, op elkander gestapelde, door de zon gecalcineerde berggevaarten, in den S e r b a 1 en J e b e 1 Moesa hun