is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan ook een vol uur wachten, eer deze vertrekt. Waarom de man aan het loket een leven maakt als een oordeel, en met de armen zwaait, alsof hij zich te verdedigen heeft tegen een dozijn zwaar gewapende roovers, waar hij toch niets te doen heeft, dan een spoorwegkaartje af te geven, is, voor den kalmen Westerling, een raadsel. Moeielijk ook is het om te verstaan, waarom er zóóveel menschen bij het station en op het „perron" zijn; Arabieren, Copten, Negers; mannen, vrouwen en kinderen; in hun eigenaardige kleederdracht, veelal slechts bestaande uit een lang wit of blauw gewaad over eenige onderkleeding. Allen zijn vuil; allen schreeuwen en gesticuleeren; niemand hunner schijnt eenige bezigheid aan de hand te hebben; en allen hopen op „backsheesh". Politiedienaren zijn kenbaar aan hun stok, waarvan zij een vrij gebruik maken, gelijk een half onnoozele fellah ondervond, die de onbescheidenheid had om een reiziger, uit een coupé ie classe naar buiten ziende, bij den baard te vatten, wat hem aanstonds een dracht slagen met de rotting bezorgde, op de wijze zooals men ziet afgebeeld op de oude monumenten uit den tijd van Israels dienstbaarheid in dit land. Het station te Suez is, in ieder opzicht, Suez-waardig. Dat de wagens vuil zijn, spreekt vanzelf; en hoe het er uitziet in een 3° classe waggon, vol Arabieren, Fellahin, Negers e. a., met hun „bagage", kan men denken.

Eindelijk, om ruim 10 uur, vertrok de trein, en daar er weinig reizigers waren, had ik een coupé voor mijzelf. Nauw heeft men Suez verlaten, of men bevindt zich in de woestijn; - een zandzee, wier golven tot heuvels stolden. De lijn is aangelegd langs het zoetwater-Kanaal van Cairo naar Suez, aan den Westelijken oever van het maritiem-Kanaal, zoodat men, nu en dan, uit den trein, een passeerend stoomschip te zien krijgt. De reis door deze zandvlakten wordt, boven beschrijving, eentonig geacht.

Toch is zij niets minder dan dit.

Zie slechts: Daar is de Derb el-Hajj, „de weg der Pelgrims" naar Mekka, dat carricatuur van Jeruzalem, waarheen de valsche Profeet zijn volgelingen gebood l) om op te gaan, al ware het maar éénmaal in hun leven, om te aanbidden.

') In Al Koran, Surah XXII, getiteld „Al Hajj" („de tocht," „Op reis gaan") vs. 28 : Surah II : 123, 192 : Sur. III : 90 en V' : 2. „De Hajj" wordt gehouden in de eerste helft (7,,—10" dagen) der laatste maand (Zu'1 Hijjah) van het Mohammedaansche jaar.