is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht, doet alles toestemmen, wat omtrent de Muski is gezegd. Immers: Eén onafgebroken stroom van menschen beweegt zich hier; in allerlei Oostersche, en ook Westersche kleederdracht; van allerlei kleur en taal, en nationaliteit; Arabieren, Beduïnen, Fellahin, Turken, Syriërs, Copten, Nubiërs, Soudaneezen, Armeniërs, Perzen, Negers, Indiërs, Albaniërs, Grieken, Levantijnen, Italianen, en Westerschen; Christenen, Mohammedanen, Joden en Heidenen te voet, te paard, of op ezels of kameelen, of van ieder denkbaar rijtuig gebruik makende; ventsters van allerlei eetwaren en verkoelende dranken, bijzonder van vruchten, suikerriet, confituren en gebak *); vooral ook vrouwen, in haar wijde, meestal blauwe, kleeding, het gelaat, tot aan de oogen, bedekt met de b o o r c k o, of ook wel onbedekt, en groenten, pluimvee, vruchten enz. ter markt brengende; waterdragers en soldaten; karavaan-drijvers, met zwaar beladen kameelen; Arabische, Egyptische, Turksche, Europeesche dames en heeren in equipages, met twee of vier paarden bespannen, en van

') Het geroep der venters is zeer eigenaardig, en meestal in verband met den Koran of de Mohammedaansche overlevering. Zoo biedt de waterdrager de „Gift van God" aan voor een „gave der barmhartigheid;" of ook wel, aan armen, geheel om niet, en roept hij gedurig „Ya (O), moge God vergelden." De verkoopers van een zeker soort boonen, t i r m i s, roepen : „Help, o Imbabee, Help," — een aanroeping van een Mohammedaanschen heilige in Imba'beh, aan de andere zijde van de Nijl, tegenover Cairo, begraven, en door wiens hulp de beste tirmis daar groeien zullen. Gerooste pitten van zekere soort meloen worden gevent onder het geroep van: „O vertrooster van de bezwaarden, O, pitten! O, noten der liefde." De verkooper van gebrande stroop met nog iets roept: „Voor een spijker, O, lekkers," de kinderen opwekkende, hem spijkers (dikwijls gestolen) te brengen voor zijn lekkers. De rozen-venters schreeuwen: „De roos was een doorn; door de uitwaseming van den profeet (Mohammed) opende hij (zijn bladeren)," (volgens de desbetreffende legende). De welriekende bloemen van de henna worden aanbevolen als: „Geuren van het paradijs, O, bloemen der henna." Alle uitroepen geschieden met bijvoeging van het woord „Ya" (O); „Ya man, jou rug;" „ya dame, jou voec;" „ya, China's appelen" (d. i.: }idrager van Sinaas-appelen) enz., ga uit den weg."

Bedelaars, waaronder zeer weigeste 1de n, zijn er in menigte in Cairo, en vooral in de Bazaars hoort men hun geroep menigvuldig, als bijv.: „Mijn avondeten moet uw gave zijn, o Heer;" „ik zoek van mijn Heer een stuk brood;" „ik ben de gast van God en den Profeet;" „stelt uw vertrouwen op God, er is geen God dan God" enz. Zie de voorbeelden aangehaald door LANE, „Manners and Cusloms of the Modern Egyptians." 2 dln. met vele houtsneden. London, 1836. (Van dit altijd belangrijke werk, waaruit vele schrijvers over Cairo geput hebben, is onlangs een nieuwe, naar ik meen verkorte, uitgaaf verschenen). Men zie ook Miss WH Al EL Y'S ,,Ragged Life in Egypt" London, 1863, en „Among the Ilu/sin Egypt," London, 1873.