is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik had nog menige vraag op de lippen. Doch .... het was de Sphinx wel aan te zien, dat ik nu geen verder antwoord van hem zou ontvangen. Misschien wel omdat een Arabier, bijna onhoorbaar, genaderd, met twee kopjes koffie, zich naast mij had nedergezet, en, voor een kleine backsheesh, mij die welkome verkwikking aanbood. Daarna werd het tijd om naar Cairo terug te keeren, gelijk ik deed. Die ure bij den Sphinx zal ik nooit vergeten.

een Engelsche vloot voor die stad genaderd, en, waar Arabi, die nu aan het hoofd der krijgsmacht stond, mede op last van den Khedive en van den Sultan, maatregelen nam om geweld met geweld te keeren, werd Alexandrië, met bombardement bedreigd, en werden de forten en de stad, n en 12 Juli, gebombardeerd. Velen verlieten de stad; een horde Beduinen drong in om te rooven en te branden; en de Khedive stelde zich onder „Britsche bescherming", terwijl de geheele „Nationale beweging" als „rebellie", onder aanvoering van Arabi, werd gebrandmerkt. Van de Egyptische soldaten verlaten, werd Alexandrië door Engelsche troepen bezet; Arabi, die over 100.000 man te beschikken had gehad, moest zich, 43 het gevecht te Tel el Kebir, overgeven aan den Britschen Generaal Lowe; Cairo ging, zonder slag of stoot over, aan weinige soldaten, onder Majoor Watson; te Kafr Dawar legden 10,000 van Arabi's volgelingen de wapens neer; en de „opstand" was „gedempt". Arabi, na geruimen tijd in de gevangenis doorgebracht te hebben, pleitte later, daartoe aangemaand zijnde, schuldig aan „rebellie", voor den krijgsraad, die met de zaak niet voort scheen te kunnen, en werd ter dood veroordeeld, welk vonnis, terstond daarop veranderd werd in verbanning, — naar Ceylon, waarheen hij, met zes mede-veroordeelden, benevens vrouwen en kinderen, 26 December 1882, vervoerd werd.

De „Nationale Beweging", of de „Opstand", van den aanvang hopeloos, vooral ook om het ontbreken van waar patriotsch gevoel bij het eeuwen lang onderdrukte volk, was nu ten einde; doch Egypte's toestand was, zoo mogelijk, nog ellendiger dan te voren. De Khedive met zijn Turksche-Egyptische adviseurs en hooge ambtenaren stonden machteloos; Frankrijk hield zich terug; en geen der andere Mogendheden wilde de verantwoordelijkheid op zich nemen van de regeling der zaken. Allen zagen op Groot-Brittanje, dat effectief was opgetreden, en nu „mocht zien, wat haar te doen stond." Toch mocht van „annexatie" van Egypte, en zelfs van „protectoraat", door Brittanje, geen sprake zijn, en Egypte's schulden moesten voldaan worden. De Britsche Regeering verklaarde ook geen annexatie te willen en zelfs geen protectoraat van Egypte; doch het land te zullen „occupeeren", ter herstelling van rust en orde, ter beveiliging van leven, in het belang van Egypte en van de betrokken Mogendheden. Dat de Britsche staatslieden van dien tijd, eenigszins ten volle, verstaan hebben welke reuzen-taak zij met de „occupatie van Egypte" aanvaardden, wordt, ook door henzelven, ontkend. Maar niemand kan ontkennen, dat die „occupatie" Egypte, in schier ieder opzicht, onberekenbaar ten goede is gekomen. Noch ook kan worden ontkend, dat Groot-Brittanje zich met heeft kunnen terugtrekken uit Egypte, zonder gevaar, dat het goede, nu verkregen, gevaar zou loopen geheel verloren te gaan. De Heere regeert.