is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tige vestingmuur met dreigende buitenwerken, iederen toegang tot de stad van de zee-zijde beheerscht, en beletten kan. Naar luid eener volks-sage, zijn de baren hier nog niet weer geheel tot rust gekomen, sedert Jona, vluchtende voor het aangezicht des Heeren, te Joppe scheep ging om af te varen naar Tarsus; en feit is het, dat, ook als de zee, buiten, kalm is, het om en op die rotsen draaikolkt én woelt én schuimt, alsof een gansch heirleger van monsters, zoo aanstonds, uit de diepte zal oprijzen om te verslinden, wat binnen hun bereik komt. „Meer booten zijn hier omgeslagen, meer levens gaan hier verloren, dan ergens elders op deze kust," en de woedende branding op dit gevaarlijk rif, zal eigenlijk het gedrocht zijn, waarvan de oudheid fabelt, dat hier verslagen werd. Hoe dit zij; een goede naam heeft de reede van Joppe nooit gehad, en wat men min aantrekkelijks van haar zegt, is niet onverdiend. ')

Nauwelijks was de „Mahallah" geankerd, of tal van booten, bemand met, naar men zou meenen, op buit beluste zeeroovers, omringden het schip, en in korten tijd hadden dezen van het dek bezit genomen. Tot in de salon doordringende, legden zij de hand op alles, wat zij konden machtig worden om het buitgemaakte goed in hun booten te bergen. Na kisten, koffers, pakken en andere bagage, kwamen de passagiers aan de beurt, alsof dezen gevangenen waren, die hun overwinnaars te volgen hadden óf oogenblikkelijk afgemaakt zouden worden. In het eerst, wellicht, ten uiterste verschrikt, bemerkt men straks, dat die lieden toch geen zeeschuimers zijn, in de gewone beteekenis van het woord, maar bootlui, waarvan sommigen den naam van „Cook" of „Gaze", in duidelijke

') sf.awulf, wien het, in 1102, acht dagen zeilens nain van Cyprus naar Joppe, ^schrijft hoe hij, naar hij meent, door Goddelijke inspiratie aanwijzing ontving om, terstond na aankomst op de reede, van boord te gaan, „ofschoon het Zondag was", wat hij deed, en hoe den volgenden morgen een storm losbarstte, die de schepen van hun ankers sloeg en tegen de rotsen verpletterde. „De scheepslieden en pelgrims," schrijft hij, „hadden alle hoop op redding verloren; eenigen bleven op de schepen, en anderen klemden zich vast aan stukken der masten en ander hout. Velen zaten in vertwijfeling neder en verdronken, terwijl sommigen, daar ik het zag, het hoofd werd verpletterd door de stukken hout, waarop zij zich zochten te redden. Nog weer anderen dreven reddeloos in zee.. . Van dertig zeer groote schepen, vol pelgrims en goederen, bleven geen zeven over, en dien dag verdronken daar meer dan duizend menschen". „ Truvels 0f s.favulf," in „Earlv Travels in Palestinë\ by thomas Wright, London 1848. Zie over de reede van Joppe ook Josephus, „Oorlogen" III 93.