is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nette tuinen; door groene, geurende boomgaarden, die zich mijlen ver uitstrekken; voorbij de „Netter-School", en Beit-Dejun, een der onderscheidene plaatsen, aan den Visch-afgod, Dagon, herinnerende; voorbij de Joodsche Kolonie (JV^S pC"l), „Rishon le Z i o n" „De eerste uit Zion", met haar prachtige tuinen, vruchtbare akkers en wijngaarden, goede huizen en uitstekend hospitaal, omringd van groote, koortswerende eucalyptus- (blauw gom)boomen, en voorbij verspreide dorpjes, en spoedig bevonden wij ons in de wijde vlakte van Saron. Men kan den weg volgen van Jaffa direct naar Ramleh, en zoo naar Jerusalem, óf, ruim 4 kilometer buiten Jaffa, links afwijkende, over Lydda reizen, dat verkieslijker is, en gelijk wij deden. Straks begint de weg een weinig te stijgen en waar de koetsier zijn paarden een weinig rust gunt, kan ik mij niet weerhouden, een oogenblik, buiten het rijtuig, alleen in het veld door te brengen.

Hoe men, bij aankomst te Jaffa, zich bijzonder ontroerd, getroffen, aangedaan, opgewekt, in verrukking kan gevoelen, onder den indruk van het „Heilige Land te betreden", is mij niet duidelijk geworden. In elk geval, ik heb daarvan weinig, zoo iets, ondervonden, wat misschien daaraan is toe te schrijven, dat ik meermalen in plaatsen verkeerd heb, die er ongeveer zoo uitzien als het tegenwoordige Jaffa. Doch nu...; in het vrije veld...; waarlijk in de vlakte van Saron...; op weg naar Jerusalem...; nu begon het hart al sneller te kloppen, — als van eenen, die, voor het eerst, de erve betreedt, waarvan zijn vaderen werden verdreven, doch die aan zijn geslacht verzekerd bleef. Nu werd het oog meer dan vochtig, en moest de knie zich buigen, waar struik en gras, bloem en boom, zand en klip, weide en heide, de blauwe hemel daarboven, de zonverlichte aarde rondom, de opstijgende vogel, het ademtochtje des winds, — waar alles, alles mij toeriep: „Welkom! in het Land uwer Vaderen."

Ja; die vrienden daar, in dat rijtuig, zijn toeristen in Palestina; maar ik ben hier op eigen erve. „G een vreemdeling, maar eigen zoon des Lands." Hier hebben mijn vaderen gewoond, en ik ben kind des huizes. Dit is mijn Land, naar de onveranderlijke toezegging des Heeren aan Abraham, en Israël is mijn Volk, thans om zijn zonden verstrooid onder de Natiën, doch dat, op 's Heeren tijd, uit de Ballingschap teruggebracht, dit land