is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een struik in het dal van Hinnom. Doch was dit noodig? Persoonlijk kende ik hier wel niemand. Maar ik had, nevens aanbevelingen aan onderscheidene personen, een schrijven uit Jerusalem ontvangen o. m. deze regelen bevattende:

Van Cairo gaat gij naar Alcxandrië ... en vandaar, per stoomboot, naar

, Jaffa. Hier kunt gij een paar dagen doorbrengen bij ... Te Jerusalem logeert gij „bij mij, zoolang gij wilt. Doch mocht ik niet da.'ii' zijn, als gij komt, dan zal een „mijner schoonzoons, Ds. Zeiler, of Ds. Wolters, u gaarne ontvangen."

Aldus had de eere-waardige Samuel Gobat, Bisschop der Anglicaansche Kerk te Jerusalem, met wien ik, in 1875, het voorrecht had, persoonlijk bekend te worden, mij, jaren geleden, naar Zuid-Afrika geschreven. Gobat was, Mei 1879, ingegaan in de Ruste, en was dus nu niet te Jerusalem, dat beneden is, doch zijn schoonzoon, Ds. Zeiler, woonde er, nabij den weg van Jaffa, bij de stad. Naar de aanwijzing van den Bisschop, en met diens brief in mijn hand, begaf ik mij dus tot Ds. Zeiler, die mij, verreisd als ik er uitzag, met stof bedekt en niet zeer kalm in mijn spreken, blijkbaar niet begreep, óf niet vertrouwde, waar ik hem trachtte duidelijk te maken, dat „zijn schoonvader mij geschreven had, dat ik bij hem moest logeeren, als hijzelf (Gobat) niet in Jerusalem was." Daar de Bisschop reeds, zoovele jaren geleden, overleden was, lag het eenigszins voor de hand dat de heer Z. mij sprakeloos aanstaarde, alsof hij meende, dat ik niet wel bij het hoofd was. Doch nadat Mevrouw Zeiler het schrijven van haar zoo vereerden Vader gelezen had, was alles spoedig opgehelderd en ontving ik een zeer hartelijke uitnoodiging om van de „gastkamer" gebruik te maken, zoolang ik wilde. Hiertegen had ik nü wel eenig bezwaar; doch dat mocht niet baten, en op de vriendelijkste wijze werd ik gedrongen om onder het gastvrij dak in te keeren. ')

Dat mijn tijdelijke verblijfplaats te Jerusalem niet binnen haar muren gelegen was, mocht mij eenigszins teleurstellen, doch kon

J) Nog te Cairo zijnde, wilde ik aan Ds. Zeiler bericht zenden van mijn voorgenomen bezoek, doch dit werd mij ontraden als „gansch onnoodig''; en te Jaffa aangekomen, trachtte ik hem per telegraaf te verwittigen, dat ik den volgenden dag ten zijnent hoopte te zijn, maar liet zulks na omdat mij verzekerd werd, dat ik, waarschijnlijk, lang vóór het telegram te Jerusalem zou arriveeren, als het draadbericht ooit terecht zou komen! Dit ter verklaring van wat, onder andere omstandigheden, een onbescheidenheid mijnerzijds zou geweest zijn.