is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV

M O R I A.

Zocht mijn oog bij aankomst te Jerusalem, als van zelf, het eerst den Olijfberg, mijn schreden wendden zich, den dag na den Sabbat, geleidelijk eerst naar Moria. Schoon van het Heiligdom, hier opgericht, geen steen op den anderen is gebleven, en de juiste plaats, waar het Huis des Heeren gestaan heeft, niet met volstrekte zekerheid is aan te wijzen, de area, de ruimte binnen welke de Tempel zich verhief, is, afdoend zeker, bekend, en draagt thans den naam van „Ha ram esh-Shereef', — het „Edele Heiligdom".

De weg daarheen leidt, van de Jafl'apoort door de Davidstraat, langs den Oostelijken voet van Zion, nu stijgende dan dalende, tot men stuit op een eeuwen ouden muur, ten deele onzichtbaar, wegens de huizen, die er tegen gebouwd werden. Door een harer zeven poorten binnengetreden, bevindt men zich in een langwerpig-vierkante ruimte, ongeveer 1550 tot 1600 voet lang, bij van 922 tot 1050 voet breed; gedeeltelijk met cypressen- en andere boomen beplant en besloten binnen muren van zware, 3 tot 3 '/a voet hooge, steenen, zóó wonderlijk kunstig samengevoegd, dat de eene steen nauwelijks van den anderen kan onderscheiden worden, en den „fijnsten muurbouw ter wereld" vormend. Ongeveer in het midden van het plein verheft zich een gebouw, achtkantig van vorm, met een hoogen koepel, schier boven beschrijving, bouwkunstig, schoon, in verheven eenvoudigheid, doch, trotsch en tergend, met het teeken van Islam opspruitende uit zijn sierlijke cupola. Dit gebouw is de „Moskee van de Rots", het „Onheiligdom" van Islam, staande in de heilige plaats. Ten Zuid-Oosten van deze is een andere