is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenover liggend Zion. Koninklijk is hij van gestalte, maar droefheid is op zijn gelaat geteekend. En met reden. Hij toch is David, de koning van het twaalfstammig Volk, naar de belofte, ook hier, aan Abraham geschied. David, de man naar Gods harte, maar die zóó zwaar heeft overtreden tegen den Heere en de menschen, dat hij al de dagen zijns levens onder de roede moet doorgaan, en ook zelf de roede moest worden ter kastijding zijns volks. Zoo heeft hij, een jaar geleden, daartoe aangepord in zijn hart, het volk laten „tellen", en in tuchtiging deswege gaf de Heere een pestilentie in Israël, gedurende drie dagen, waaraan nu reeds, van Dan tot Ber-Séba toe, 70,000 mannen gestorven waren. Jerusalem bleef nog verschoond, doch eindelijk was de plage ook tot die stad genaderd. In weedom der ziel, zijn oogen opheffende naar den kant van Moria had ook David den verderfengel gezien, met het zwaard over Jerusalem uitgestrekt, staande bij dezen dorschvloer van Arauna, en schuldbelijdend was hij toen neergezonken voor den Heere, klagende: „Ik, ik heb gezondigd, maar wat hebben deze schapen gedaan? o Heere, mijn God, dat toch Uw hand zij tegen mij, en tegen het huis mijns vaders, maar niet tegen Uw Volk ter plage." En de Heere het gebed Zijns knechts verhoorende, zeide tot den engel der verderving: „Het is genoeg, trek uw hand nu af." De plage zou niet voortgaan; doch op deze plaats moet een teeken worden opgericht, van Gods genade boven 's menschen schuld. „Ga nu," heeft Davids Ziener, Gad, naar het woord des engels tot den koning gezegd, „ga nu, en richt den Heere een altaar op, op den dorschvloer van Arauna," en daartoe

is David nu hier. Arauna komt hem te gemoet Waarom komt

mijn heer, de koning, tot zijn knecht?" — „Om dezen dorschvloer van u te koopen, om den Heere een altaar te bouwen; opdat deze plage opgehouden worde van het volk." Beteekenisvoller woorden dan ook David zelf toen kon vermoeden. En Arauna, „de koning", wil koninklijk geven, wat David begeert. „De koning neme en offere, wat goed is in zijn oogen," — dorschvloer, sleden, ossen, alles. Doch David zal den Heere zijn God „niet offeren brandoffercn om niet," en hij koopt den dorschvloer voor „vijftig zilveren sikkelen." *) Terstond nu wordt het altaar gebouwd op, of nabij, de

') Volgens ii Samucl 24 : 24. Doch i Kronykcn 21 : 25, staat, dat David aan Oman gaf „voor die plaats zes honderd gouden sikkelen van gewicht". Dat is _ƒ 1020.50 in plaats van ƒ67.50, den gouden sikkel gerekend tegen 15 X de waarde