is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Moria; hij doet daar zijn zonen door het vuur gaan, naar de gruwelen der heidenen; hij verzamelt het zilver en het goud, dat in den Tempel gevonden wordt en geeft het aan Tiglat-Pilezer, den koning van Assyrië; hij verzamelt de vaten van het Huis Gods en houwt ze in stukken; hij doet den hoogepriester Uria een altaar maken, naar de gelijkenis van een afgodsaltaar te Damascus; hij offert op dat altaar, terwijl hij het brandaltaar des Heeren van zijn plaats laat nemen en elders zetten; hij rooft het koper der stellingen van het waschvat; hij laat de lichten uitblusschen in den Tempel, en het reukwerk ophouden; en hij sluit eindelijk de deuren van het Huis des Heeren toe, — daarmede, wat hem betreft, een einde makende aan den dienst van Jehova, om nu met gansch Juda de goden van Damascus, en andere afgoden te dienen in alle hoeken van Jerusalem, en door het geheele land.

Dienst der afgoden, op het Tempelplein, ja in den voorhof des Tempels ...! Doch nog grooter gruwelen moet Moria dragen. Eerst komt er, door de genade Gods, een tijd van verkoeling onder Hiskia, Achaz' opvolger, die den Heere dient. Aanstonds in de eerste maand zijner regeering, laat Hiskia de deuren des Tempels weer openen; doet hij het Huis Gods door de priesters en de levieten reinigen; laat hij het brandofferaltaar en den geheelen Tempeldienst weer toerichten. Een groote dag is het, voor den Koning en het gansche Volk, als Hiskia met de oversten, vroeg in den morgen, weer kan opgaan in het Huis des Heeren, waar de priesters weer tot hun dienst vergaderd zijn, en den Heere zondóffer en slachtoffer en dankoffer gebracht mogen worden in Zijn gereinigde voorhoven. En een dag van blijdschap, waar Hiskia en al het Volk zich buigen voor den Heere, en Hem loven „met de woorden van David en van Asaf", en met gezang, begeleid door trompetten en instrumenten van vreugdegejuich. Een heilrijke dag, maar toch .... Na niet vele jaren neemt ook Hiskia al het zilver, dat gevonden werd in des Heeren Huis, en snijdt hij het goud af van de deuren des Tempels en van de posten, en geeft hij dat alles aan den Koning van Assyrië, opdat deze van hem zou aftrekken.

Hiskia sterft, en wordt opgevolgd door Manasse, onder wien de steeds stijgende, en altijd dreigender vloed van afgoderij en terging Gods op Moria, bijna zijn toppunt bereikt.