is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij had de komende belegering der stad, den honger en het zwaard, waardoor haar inwoners verteerd zouden worden, de verbranding van den Tempel, de wegvoering naar Babel, tot in de kleinste bijzonderheden voorspeld, doch tevens aangewezen, dat Jerusalem en haar inwoners gespaard zouden worden, indien men zich, naar 's Heeren wil, aan de Chaldeën zou onderwerpen, doch men had hem, als een landverrader, in de kotjes gesloten en daarna in den kuil geworpen om hem te dooden. Hij hoort de stemmen der profeten; van Joel en Micha, van Jesaja en Zefanja, van Ezechiël, Hosea en Amos, en van de andere mannen Gods; die in den Tempel en in het paleis, op Moria en op Zion, in de straten Jerusalem's en daar buiten, ja zelfs van Chebar, in Babylonië, tegen de zonden des Volks hebben getuigd, oordeelen hebben aangekondigd, beloften Gods hebben voorgehouden, om de waarheid hebben geleden, alles om Vorst en Volk tot bekeering te leiden, doch alles te vergeefs. Hij ziet op de bergen en in de dalen rondom Jerusalem, de Gode-tergende, gruwelijke altaren en bosschen der afgoderij, van Salomo af, die Juda en Israël een breuke geslagen hebben, waaraan ten slotte geen heelen meer was. En zich naar de puinhoopen der Tempels wendende, aanschouwt hij, als met één blik, de zonden in dat Huis Gods bedreven, de valsche eeden, daarin gezworen, het onschuldig bloed daarin vergoten, en hoe de Naam van God daarin tot het uiterste gelasterd is door wereld-dienarige priesters en leugen-profeten, door Koningen en edelen, door schier het gansche Volk.

De Profeet ziet meer; hij schouwt ook in de naaste toekomst: Hoe het Volk, dat was achtergelaten, mét de gevluchten, die uit Moab, Ammon, Edom wedergekeerd waren, toen zij hoorden, dat de Koning van Babel Gedalia, de zoon van Ahikam, tot landvoogd over Juda had aangesteld, zich ten slotte toch niet zouden buigen onder de roede Gods, maar, vertrouwende op Egypte, die handdoorborende rietstaf, tegen Babel zouden rebelleeren en voor Babel vluchten; hoe Gedalia door Ismael, de zoon van Nethanja, van koninklijken zade, zou worden vermoord mét de bezetting der Chaldeën te Mizpa, waar Gedalia zijn zetel had; hoe Ismael door Johanan, de zoon van Kareah, zou worden geslagen bij Gibeon toen hij het overblijfsel des Volks naar Ammon wilde leiden; hoe Johanan en zijn medegenooten trots alle vermaningen om „in het land te blijven