is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teruggezonden naar Babel, tot Iddo, en Chasifja en anderen, om leeraars, en om dienaren voor het Huis des Heeren, waarop Sarebja, een „man van verstand" en 37 Levieten, benevens 220 Nethinim, bij name genoemd, zich bij den trek voegden. Toen had Ezra een vasten uitgeroepen en had men zich verootmoedigd voor den Heere, met smeeking om Zijn hoede en bewaring op den weg vooral voor de „kinderkens", want er was, bij den tocht, heir noch ruiterij, die Ezra zich „geschaamd had van den Koning te begeeren," alsof God zijn Volk niet zou kunnen beschermen tegen vijanden en andere gevaren. „De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken," had Ezra tot den Koning gezegd, en in deze zijn kracht was hij voortgetrokken, langs den Euphrates tot bij Aleppo en toen, in Zuidelijke richting voorbij Damascus naar het land der Jordaan, een vijf maanden lange tocht, tot men nu, eindelijk, het doel der reize bereikt had, zonder dat een haar des hoofds was gekrenkt. In 's Heeren Tempel op Moria zegt Hem een iegelijk der „weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren," eere; voor „g a n s c h Israël" offeren zij den God Israels, twaalf varren ten brandoffer, en twaalf bokken ten zondoffer, dat is één var en één bok voor iederen Stam, aldus de gemeenschap onderhoudende met de Stammen in de verstrooiing en voor den Heere belijdende het voortbestaan van het twaalfstammig Volk, naar Zijn Verbond, ook waar het, tijdelijk, onder het oordeel, onder de natiën verstrooid is, en brengen zij andere offers, der dankzegging, van rammen en lammeren. Het meegevoerde goud en zilver en de vaten des Tempels worden, op den vierden dag na aankomst, gesteld in handen der daartoe aangewezen priesters en levieten; en aan des Konings stadhouders worden diens bevelen omtrent het Volk overgebracht. Alles geregeld; alles ordelijk.

Op die dagen van blijdschap volgt echter spoedig weer een tijd van diepe smart, inzonderheid voor Ezra. Door het Volk is zwaar gezondigd geworden met de oude zonde der vermenging. Want zij hebben genomen, voor zich en hun zonen, vrouwen uit de dochteren der Kanaiinieten, Hethieten, Ferezieten, Jebusieten, Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten, wat leiden moest en leidde, dat de afgoden dier Heidenen weer gediend werden en zouden worden. En van de Vorsten, de Priesters, en de Levieten, die