is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heidenen den Tempel mochten naderen. Een doorloopende trap, van 14 treden, leidde van de Soreg naar een terras, „ C h e 1", genaamd (B. B. B. op het Plan), en op dit terras of platform was de Tempel gebouwd.

Het eigenlijk Tempel-terrein bestond uit 1°. den „Voorhof der Vrouwen", 2°. den „Voorhof van Israël", en, 3® den „Voorhof der Priesteren", en vormde een langwerpig vierkant aan welks Westelijk einde de Tempel zich verhief. De hoofdingang was aan de Oostelijke zijde, tegenover „Salomo's Voorhof', en heette de „Schoone Poort". Een opgang van twaalf treden leidde van het terras, de „Chel", naar de prachtige poort, wier dubbele deuren van schitterend Corinthisch koper, zoo zwaar waren, dat 20 mannenkracht vereischt werd om ze te openen of te sluiten. Zoowel in den Noordelijken als in den Zuidelijken gevel der, den Tempel insluitende, galerij-gebouwen waren drie poorten met dubbele deuren, wijd en hoog, met goud en zilver versierd, en in de beide vooruitspringende hoeken, (Z. en N. van den Tempel) nog een poort, — te zamen dus negen toegangen tot den Tempel. De gewone ingang, behalve voor de Priesters, was door de „Schoone Poort", en de twee meest Oostelijke Poorten, in den „Voorhof der Vrouwe n", ruim 66 voet in het vierkant, niet dus genoemd omdat hij alleen voor vrouwen bestemd was, maar omdat vrouwen, doorgaans, niet nader tot den Tempel traden. In de vier hoeken van dezen „Voorhof" waren vertrekken, en langs de zijden was een zuilengang, waarin 13 offerkisten stonden, in den vorm van „trompetten", voor verschillende doeleinden. Het zal in dezen Voorhof geweest zijn, dat Simeon het Kindeke in zijn armen ophief, en dat Anna, bijkomende, den Heere heeft beleden.

Uit den „Voorhof der Vrouwen" leidde een half-cirkelvormige trap van 15 treden (op welke de Levieten stonden op het Loofhuttenfeest, om de 15 Liederen Hamaüloths te zingen) naar de Poort van N i c a n o r, recht tegenover de Schoone Poort, maar hooger dan deze, en zoo naar den smallen „Voorhof van Israël", die door een balustrade, van een halven Meter hoog, gescheiden was van den „Voorhof der Priesteren". Hier stond het koperen Brandofferaltaar, vierkantig, van ongehouwen steenen gebouwd, 15 voet hoog, en omringd van een omgang, 9 voet hoog van den grond. Zuidelijk van het altaar was de „koperen