is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze rots toch is, naar zij beweren, afkomstig uit het Paradijs. Op dit rotsblok zal de Ark gerust hebben, toen de wateren van den Zondvloed afgenomen waren, en het olijfblad, dat de duive toen aan Noach bracht, zal door haar zijn afgebroken van een boom op den Olijfberg. Op deze rots zal Abraham zijn zoon (Ismaël!) ten offer gebonden hebben; hier zal Jacob hebben gerust op zijn vlucht voor Esau; en hier zal hij het gezicht hebben gezien, dat hem deed uitroepen: „Dit is niet dan een Huis Gods (Beth. El.), en dit is de poort des hemels" (Genesis XXVIII: 17), deze plaats dus aanwijzende als de „Kiblah", *) waarheen de geloovigen zich moesten wenden in hun gebeden, wat door Mozes' voorbeeld bevestigd zal zijn. Op dit rotsblok zal de Ark des Verbonds gestaan hebben in de „Moskee van David", de Tempel van Salomo, (zie 1 Kon. IX : 44, 48). Bij dezen steen eindelijk zal Mohammed aangebeden hebben met Adam, Abraham, Josef, Mozes e. a. in den nacht zijner „opvaring" tot in den „zevenden hemel"; en nog zal in de rots zijn voetstap te zien zijn op de plaats van waar hij „opvoer".1) „Zulk een heilig én vruchtbaar land als Syrië, zulk

') K 1 b I a h (of Giblah) lett. „wat tegenover is", en zoo „de plaats, waarheen dc Moslem het aangezicht moet wenden, als hij zijn gebeden opzegt." Zoo werd de tempel te Jerusalem door Salomo als de „Kiblah" aangewezen voor hen, die buitenslands verkeerden (zie l Kon. IX : 44, 48), waarheen zij zich wenden zouden „in het gebed en met hun smeeking". Mohammed had eerst Mekka aangewezen, de „heilige moskee", als Kiblah voor Islam; daarna, toen hij naar Medina gevlucht was, kreeg hij een „openbaring", dat e s-S a k r a h, de Rots op Moria, de Kiblah zou zijn; doch later weer, kreeg hij een andere „openbaring", dat alle „geloovigen^' zich naar Mekka moesten wenden in hun gebed, en die plaats is sedert de Kiblah van Islam gebleven. Zie Koran II : 136 vv.

Niet onwaarschijnlijk is het, dat Mohammed bekend was met het gebed van Salomo, bij de inwijding vau den Tempel; en ook, dat hij er iets van verstaan heeft, dat Salomo's bedoeling met I Kon. IX ; 44, 48, niet was om de alomtegenwoordigheid Gods te beperken, alsof de Heere s/echts in den Tempel te Jerusalem voor biddenden te naderen was, maar alleen om aan te geven, waar de zichtbare aanspraakplaats Zijner heiligheid was, waarheen allen zich zouden wenden in hun gebed, tot den Alomtegenwoordige en Onzienlijke. Dienovereenkomstig laat ook Mohammed aan zijn „openbaring" aangaande de Kiblah voorafgaan: „Aan God behoort het Oosten en het Westen; daarom, waarheen gij u wendt om te bidden, daar is het aanschijn Gods; want God is alomtegenwoordig en alwetend." Sara II : 11 o.

') Volgens den Koran, XVII : 1, is Mohammed in één nacht overgebracht „van den heiligen tempel" (de Masjid'1 H ara in, de Moskee die nabij is, n.'l'. 'te Mekka), naar de „verst gelegene" (de Masjid'1 Aksa, te Jerusalem, op Moria •'