is toegevoegd aan uw favorieten.

Het land mijner vaderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Constantinus, in Palestina verwijlde en, vooral in Jerusalem, de „heilige plaatsen" vaststelde, in de ge, ioe en i ie eeuw werden deze steeds menigvuldiger. Aan moordenaars en andere doodschuldigen, die niet ter dood gebracht werden door den wereldlijken rechter, werd veelmalen door de Kerk opgelegd, in boetedoening, met ketenen beladen naar Palestina te reizen, en hun zonden te beweenen op den „Kruisheuvel van Golgotha", onder het dak der „Kerk van het Graf". Doch ook vele anderen • aanzienlijken en geringen; kerkelijken en wereldlijken; mannen en vrouwen; gevoelden zich gedrongen, telkens weer in nieuwe scharen, om den pelgrimstocht naar Jerusalem te volbrengen, in de valsche hoop daardoor vergeving van zonden te verwerven. Moeilijk, ja doodsgevaarlijk was, voor de meesten, zulk een tocht. Afreizende, bijv. van Bordeaux, ging het, in pelgrimskleeding, met een staf in de hand, en dikwijls blootshoofds en barrevoets, door Frankrijk en Italië, door Hongarije, Illyrië en Thracië naar Konstantinopel, en van daar, recht door Klein-Azië, van Nicomedië en Nissa naar Tarsus en Antiochië, en van daar naar Jerusalem ; een reis van bijna tweeduizend mijlen over hooge met sneeuw bedekte bergen, door verzengde, woeste streken, langs malaria-giftige moerassen, op meestal ongebaande paden; doorgaans in gevaar van roovers, altijd blootgesteld aan afpersing, veelmaal aangetast door krankheden, zelden voorzien van het noodige tot onderhoud des levens, tot hulpe van zieken, tot verdediging tegen vijanden. Duizenden en duizenden kwamen om op zulke tochten, en die eindelijk, voor de poorten van Jerusalem verschenen, werden niet toegelaten dan tegen betaling van een goudstuktol, dat van hen geëischt werd, ook al bezaten zij geen penning om de noodigste spijze te koopen. Ontelbaar velen moesten buiten de poorten der Heilige Stad ellendig omkomen, zonder het einddoel hunner lange, moeilijke, ontberingvolle reize te mogen bereiken, waar zij den tol, door de heerschers geëischt, niet konden voldoen, en hun beenderen, tot stof vergaan, vullen menige grafkuil op Akeldama, de akker des bloeds, met het geld des verraads gekocht, tot een begrafenis-plaats der vreemdelingen. Kwamen de pelgrims binnen Jerusalem, dan vonden zij daar, nevens de „heilige plaatsen", verdeeldheid der Christenen, Grieken, Copten, Syriërs, Latynen e. a. onder elkander, dikwijls tot bloedvergieten aanleiding gevende, of wel den Islamschen overheerschers, Arabieren, Egyptischen, Sjeljukken, Turken, de altijd