is toegevoegd aan uw favorieten.

Onder de vanen van vriend en vijand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ui ij 11 kleinzoons hun vertrouwen hebben geschonken aan eeu voor hen vreemd man/' begon de oude man en men hoorde aan den klank zijner stem, dat hij verontwaardigd was, „terwijl ik geheel onkundig ben aan hunne plannen, ik, hun grootvader."

„Hij noemde zich uw vriend, grootvader," antwoordde Berthold.

„Ik moest jullie dan nader staan dan eenig vriend. Maar genoeg daarover. Mijnheer Henneberger deelt mij mede, dat het jullie wensch is den soldatenrok aan te trekken.

„Dat is zoo en ik hoop dat u er niets op zult tegen hebben en ons zult vergeven, dat wij er u niet het eerst over spraken."

„Mijnheer Henneberg keert terug naar Maagdeburg en wil jullie aanwerven voor de verdediging van da stad."

De beide jongemannen keken elkander eeu oogenblik teleurgesteld aan, doch Berthold verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet en antwoordde: „Wij hadden het ons eigenlijk anders voorgesteld; op eeu vurig paard met getrokken zwaard in den slag. Maar oorlog is oorlog, men kan zich zijn post niet kiezen. En wij strijden daar voor onze goede zaak . . . tegen Tilly! Niet waar, Winfried? Wij zijn er mee tevreden!"

„Wis en zeker!" liet nu ook Winfried zich hooren en kwam naast zijn broer staan, „onze vader heeft ook Heidelberg verdedigd, zoolang hij adem kon halen; mijnheer Henneberger, wij trekken met u mede."

„Halt!" Gebiedend en scherp kwam dit woord over de lippen van den vrijheer. „Nog heb ik een woordje mee te praten en ik wil jullie mijn meening zeggen in legenwoordigheid van den man dien jullie meer vertrouwt dan je grootvader. Nog ben jullie mijn huis niet ontgroeid en ik zeg jullie: jullie blijft hier."

Beide knapen uitten een kreet van ontsteltenis.

„Ik ben niet gewend," vervolgde de grootvader, „zoolang tevoren over mijne plannen te spreken, ik kon ook niet weten dat mijne kleinzoons zich reeds zoo zelfstandig waanden 0111 hun eigen levensweg te kiezen. Intusschen heb ik mij wel