is toegevoegd aan uw favorieten.

Onder de vanen van vriend en vijand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den achtergrond gedrongen, door een aangrijpende gebeurtenis, die er plaats had.

„Maagdeburg is gevallen l" riep men elkander met ontdaan gelaat toe op straat. „De koningin der Elbe, de bloeiende Hansastad is een puinhoop, een veld vol lijken. Het is wederom Tilly die hiervan de oorzaak is, Tilly de groote beul!"

Berthold was buiten zichzelve van woede! „Waarom heb ik niet kunnen helpen en meevechten!" Al was ik er ook bij omgekomen, zou dit dan nog niet beter zijn geweest dan hier in de gevangenis te zitten bij grootvader! Ik zou dien Tillv wel hebben gekregen!" En hij wond zich al meer en meer op en noemde Tilly den vloek van zijn leven, van geheel Duitschland.

„Maar wij kunnen nu toch van geluk spreken," merkte Winfried op. „Wat hadden wij nu kunnen doen om Maagdeburg's val te voorkomen en nu blijft het voor ons weggelegd om op andere wijze ons vaderland te dienen. Onze tijd zal wel komen!"

„Nou, die mag dan wel gauw komen, anders verbrand ik tot asch van verlangen, evenals Maagdeburg."

In het midden van de maand Mei van het jaar 1631 verscheen er een bode uit de herberg „het Gouden Harnas" in het huis van meester Martinus en verlangde terstond bij den vrijheer te worden toegelaten. De oude Muk waagde het niet inbreuk te maken op de gewoonten van zijn heer. Deze hield juist zijn middagslaapje en mocht niet worden gestoord.

„Maar" vroeg Berthold, die met Winfried juist beneden was, den bode, „kun je ons de boodschap dan niet zeggen, als die zoo dringend is."

De man dacht even na en deelde toen mede, dat er een gewond lieer uit Maagdeburg ziek in de herberg was aangekomen met een klein meisje, dien den vrijheer verzocht hem te komen opzoeken."

„Dat moet Dr. Henneberger zijn!" riepen de broeders als uit één mond.